Er zijn geen krantenberichten gevonden.
Nederland heeft meer mogelijkheden zich aan klimaatverandering aan te passen dan   arme landen

Bescherming tegen het water kunnen we in Nederland gemakkelijk betalen. In vergelijking met arme landen heeft Nederland meer mogelijkheden zich aan klimaatverandering aan te passen. Niet de hoogte van de investeringen maar de  maatschappelijke bereidheid om die investeringen te plegen, zal hier het probleem  zijn. Burgers redeneren immers niet vanuit economische criteria maar op basis van (recente) ervaringen: kort na een bijna-overstroming is de maatschappelijke bereidheid om te investeren in dijken groot maar later ebt die bereidheid weer weg.

Er moet veel geïnvesteerd worden om ons in de toekomst te beschermen tegen overstromingen.

Als we maatregelen moeten nemen zal het gaan om grote bedragen: dan zullen we veel moeten investeren voor onze bescherming tegen overstromingen.  Maar wat is ‘veel’? Op dit moment geven we per hoofd van de bevolking jaarlijks  minder dan 100 euro uit aan de bescherming tegen het water van de zee, de rivieren  en de meren. Mocht het nodig zijn dat bedrag te verdubbelen om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te kunnen bieden, dan is de bescherming tegen het water nog steeds niet duur. Het is overigens nog maar de vraag of vanwege  klimaatverandering jaarlijks een miljard euro meer nodig is voor het behoud  van onze veiligheid, zoals wel eens wordt beweerd. Misschien in de verre toekomst,  maar de komende jaren waarschijnlijk nog niet.

Ons niveau van bescherming tegen overstromingen is gebaseerd op het gedachtegoed  van de Deltacommissie in 1960 die, na de Watersnoodramp van 1953, de  basis van ons waterveiligheidsbeleid heeft opgesteld. De Deltacommissie stelde  dat de investeringen in de bescherming tegen overstromingen in balans moeten zijn met de reductie van de (verwachtingswaarde van de jaarlijkse) overstromingsschade die door betere dijken wordt gerealiseerd. Als we blijven investeren in lijn met deze gedachte, is de investering in de verbetering van dijken niet te  duur.

Vanwege klimaatverandering is jaarlijks een miljard euro meer nodig voor behoud van   veiligheid en strijd tegen het water

Als we maatregelen moeten nemen, zal het gaan om grote bedragen: dan zullen we veel moeten investeren voor onze bescherming tegen overstromingen.  Maar wat is ‘veel’? Op dit moment geven we per hoofd van de bevolking jaarlijks minder dan 100 euro uit aan de bescherming tegen het water van de zee, de rivieren en de meren. Mocht het nodig zijn dat bedrag te verdubbelen om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te kunnen bieden, dan is de bescherming tegen het water nog steeds niet duur. Het is overigens nog maar de vraag of vanwege klimaatverandering jaarlijks een miljard euro meer nodig is voor het behoud van onze veiligheid, zoals wel eens wordt beweerd. Misschien in de verre toekomst,  maar de komende jaren waarschijnlijk nog niet.

Ons niveau van bescherming tegen overstromingen is gebaseerd op het gedachtegoed  van de Deltacommissie in 1960 die, na de Watersnoodramp van 1953, de  basis van ons waterveiligheidsbeleid heeft opgesteld. De Deltacommissie stelde dat de investeringen in de bescherming tegen overstromingen in balans moeten  zijn met de reductie van de (verwachtingswaarde van de jaarlijkse) overstromingsschade  die door betere dijken wordt gerealiseerd. Als we blijven investeren in lijn met deze gedachte, is de investering in de verbetering van dijken niet te duur.

De investering in de verbetering van dijken is te duur 

Als we maatregelen moeten nemen, zal het gaan om grote bedragen: dan zullen we veel moeten investeren voor onze bescherming tegen overstromingen. Maar wat is ‘veel’? Op dit moment geven we per hoofd van de bevolking jaarlijks minder dan 100 euro uit aan de bescherming tegen het water van de zee, de rivieren en de meren. Mocht het nodig zijn dat bedrag te verdubbelen om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te kunnen bieden, dan is de bescherming tegen het water nog steeds niet duur. Het is overigens nog maar de vraag of vanwege klimaatverandering jaarlijks een miljard euro meer nodig is voor het behoud van onze veiligheid, zoals wel eens wordt beweerd. Misschien in de verre toekomst, maar de komende jaren waarschijnlijk nog niet.

Ons niveau van bescherming tegen overstromingen is gebaseerd op het gedachtegoed van de Deltacommissie in 1960 die, na de Watersnoodramp van 1953, de  basis van ons waterveiligheidsbeleid heeft opgesteld. De Deltacommissie stelde dat de investeringen in de bescherming tegen overstromingen in balans moeten zijn met de reductie van de (verwachtingswaarde van de jaarlijkse) overstromingsschade die door betere dijken wordt gerealiseerd. Als we blijven investeren in lijn met deze gedachte, is de investering in de verbetering van dijken niet te duur.

Bescherming tegen stijgende zeespiegel is big business

Tegenover hogere kosten voor aanpassing van ons land aan de mogelijke gevolgen van klimaatverandering staan waarschijnlijk ook hogere inkomsten. Zo zal de Nederlandse kust voor toeristen in de zomer aantrekkelijker worden. Voor de Nederlandse  watersector ontstaan wereldwijd grote exportmogelijkheden voor zijn kennis over het omgaan met de gevolgen van klimaatverandering in dichtbevolkte  deltagebieden. Wellicht laat de toekomst zien dat bescherming tegen de stijgende  zeespiegel en verhoogde rivierafvoeren voor Nederland big business is.

Dreigende overstromingen hebben gevolgen voor de waarde van vastgoed 

Wat is nu een verstandige investering? Dat hangt af van de mogelijke schade  door de gevolgen van klimaatverandering (economisch, slachtoffers, beleving)  en de kosten die moeten worden gemaakt om deze schade te voorkomen of  te beperken. Het gaat erom de som van deze twee posten zo klein mogelijk te  maken. De mogelijke schade kan worden uitgedrukt als de schadeverwachting per jaar. Deze schadeverwachting is het risico: de kans op, bijvoorbeeld, een overstroming vermenigvuldigd met de gevolgen van die overstroming. Dit risico moet het uitgangspunt zijn van investeringsbeslissingen. Voor het voorbeeld van het overstromingsrisico betekent dit dat niet alleen de overstromingskans maar  ook de mogelijke schade mee moet wegen bij afwegingen voor investeringen in de  bescherming tegen het water.

De mogelijke overstromingsschade in Nederland is sinds de watersnoodramp  van 1953, 6 tot 13 keer zo hoog geworden door de investeringen en bevolkingsgroei achter de dijken. Het aantal mensen dat achter de dijken leeft, is sindsdien  verdubbeld. De economische groei zal de potentiële schade van overstromingen nog verder doen stijgen. In Nederland is de overheid volgens artikel 21 van de  grondwet gehouden het land tegen overstromingen te beschermen. Tot nu toe gaat dat goed. En kennelijk hebben de inwoners er ook vertrouwen in dat het goed blijft gaan want tot nu toe hebben de mogelijke gevolgen van klimaatverandering in Nederland geen noemenswaardige invloed op de huizenprijzen.

Steek geld in de dijken totdat de techniek zich leent om de klimaatproblematiek aan te pakken

Op nationaal, Europees en mondiaal (klimaatconferentie Bali, 2007) niveau zijn  inmiddels forse doelstellingen geformuleerd om de uitstoot van broeikasgassen  te beperken of zelfs te reduceren. Daarmee wordt geprobeerd de opwarming van de aarde af te remmen. Dat gaat echter niet van vandaag op morgen, en dus zal  de opwarming van de aarde nog wel even doorgaan. Daarom is het verstandig te blijven investeren in de dijken totdat de techniek zich leent om de opwarming  van de aarde daadwerkelijk te stoppen.

Het is dus verstandig om ons nu al voor te bereiden op een verhoging van de zeespiegel en een toenemend wateraanbod van de rivieren, en op het reserveren van de ruimte die voor maatregelen nodig is. Hierbij moet worden bedacht dat  de onzekerheden nog groot zijn. De economische gevolgen van klimaatverandering en het moment waarop we die gaan merken, zijn moeilijk in te schatten. Het  is daarom zaak risicomijdend op te treden: niet te veel of te vroeg investeren,  maar zeker ook niet te weinig of te laat. Daarom wordt nu alvast verkend welke maatregelen in Nederland mogelijk zijn als blijkt dat klimaatverandering sneller gaat dan we nu verwachten. Dan zijn we in ieder geval goed voorbereid en kunnen  we, indien nodig, snel maatregelen nemen om Nederland veilig, mooi en leefbaar  te houden.

Nederland moet zich voorbereiden op een verhoging van de zeespiegel en een toenemend   wateraanbod van de rivieren

Op nationaal, Europees en mondiaal (klimaatconferentie Bali, 2007) niveau zijn inmiddels forse doelstellingen geformuleerd om de uitstoot van broeikasgassen te beperken of zelfs te reduceren. Daarmee wordt geprobeerd de opwarming van de aarde af te remmen. Dat gaat echter niet van vandaag op morgen, en dus zal de opwarming van de aarde nog wel even doorgaan. Daarom is het verstandig te blijven investeren in de dijken totdat de techniek zich leent om de opwarming  van de aarde daadwerkelijk te stoppen.

Het is dus verstandig om ons nu al voor te bereiden op een verhoging van de  zeespiegel en een toenemend wateraanbod van de rivieren, en op het reserveren van de ruimte die voor maatregelen nodig is. Hierbij moet worden bedacht dat de onzekerheden nog groot zijn. De economische gevolgen van klimaatverandering  en het moment waarop we die gaan merken, zijn moeilijk in te schatten. Het is daarom zaak risicomijdend op te treden: niet te veel of te vroeg investeren, maar zeker ook niet te weinig of te laat. Daarom wordt nu alvast verkend welke maatregelen in Nederland mogelijk zijn als blijkt dat klimaatverandering sneller  gaat dan we nu verwachten. Dan zijn we in ieder geval goed voorbereid en kunnen we, indien nodig, snel maatregelen nemen om Nederland veilig, mooi en leefbaar te houden.

Natuurorganisaties zien niets in peilverhoging IJsselmeer

"Een hoger peil in het IJsselmeer moet er volgens de Deltacommissie voor zorgen dat water uit het meer onder vrij verval kan worden gespuid op de Waddenzee. Volgens natuurorganisaties zal deze aanpak grote gevolgen hebben. “Peilverhoging van het IJsselmeer kan onomkeerbare en onwenselijke gevolgen hebben voor ecologie en veiligheid van het gebied.”

Een van de aanbevelingen van de Deltacommissie is het verhogen van het IJsselmeerpeil met maximaal 1,5 meter na 2050. Zonder aanvullende maatregelen zouden op den duur bepaalde typen natuur verdrinken. De natuur in het IJsselmeergebied is immers sterk afhankelijk van de waterdiepte(verdeling). Waterplanten hebben ondiep water (minder dan 2-3 meter) nodig om voldoende licht te hebben om te groeien. Verschillende watervogels halen hun voedsel van verschillende dieptes: steltlopers en grondeleenden foerageren in zeer ondiep water (minder dan 2 decimeter) terwijl duikeenden hun voedsel wel tot 5 meter diepte kunnen halen en zwanen tot ongeveer 1 meer diepte kunnen foerageren op planten. Daarnaast komt riet voor in ondiepe zones en zones die af en toe onder water staan. Dit vormt weer een leefgebied voor andere diersoorten, zoals de Karakiet en de Roerdomp. Met name de ondiepe zones (minder dan 2 meter) zijn dus belangrijk voor de natuur. Als het waterpeil van het IJsselmeer stijgt, neemt het areaal met ondiep water sterk af.

De stijging van het waterpeil is echter maar één deel van het verhaal. Ook de variatie van het waterpeil door het jaar heen kan sterker variëren dan nu het geval is omdat het IJsselmeerwater in droge periodes wordt gebruikt door onder meer de landbouw. Een lager waterpeil in een droge zomer past bij een natuurlijke dynamiek. Meer peildynamiek, en dus grotere verschillen tussen hoge (winter) en lage (zomer) waterpeilen kan gunstig zijn voor de natuur, onder meer voor de ontwikkeling van riet- en moerasvegetatie. De mate waarin dit gebeurt hangt af van de morfologie en de grootte van de peilfluctuatie. De morfologie kan worden aangepast door ondieptes en laaggelegen eilanden aan te leggen.

Natuur in het IJsselmeergebied zal inderdaad verdrinken als het waterpeil met 1,5 meter wordt verhoogd. Echter, als deze verhoging wordt gecombineerd met inrichtingsmaatregelen (bijvoorbeeld het aanleggen van ondieptes) en meer peildynamiek, kan er voor natuur misschien ook iets moois ontstaan. Als je daarbij de verondiepingen uitvoert in de vorm van vooroevers met een golfremmende werking kan er tegelijkertijd ook aan de veiligheid worden bijgedragen. De stijging van het peil van het IJsselmeer hoeft niet persé grote negatieve gevolgen te hebben voor de natuur.

Smeltend poolijs vormt geen bedreiging voor de ijsberen

Als het klimaat verandert, kan dit ertoe leiden dat soorten moeten verschuiven naar andere gebieden omdat hun oorspronkelijke leefgebied niet meer aan hun randvoorwaarden voldoet. Zo heeft de natuur zich in het verleden ook steeds aangepast aan veranderingen in het klimaat. Met het verdwijnen van een bepaald leefgebied ontstaan ook weer kansen voor andere soorten. Zo is de Spiering een koudwatervis die in Nederland de zuidgrens van zijn verspreiding heeft. Een warmere zee kan er toe leiden dat deze vis niet meer in Nederland voorkomt. Daar staat tegenover dat bijvoorbeeld vogelsoorten uit zuidelijke landen steeds vaker in Nederland worden waargenomen.

Lang niet alle soorten kunnen de verschuiving van klimaatzones volgen. Veel van onze natuur komt voor in begrensde en vaak ook geïsoleerde gebieden en heeft daardoor niet meer de ruimte om op te schuiven. Zo verdwijnt met het smelten van het ijs van de noordpool het leefgebied van de ijsberen en komt hun voortbestaan in gevaar. Bovendien is de natuur op sommige plaatsen verzwakt als gevolg van menselijke activiteiten en is zij niet meer robuust genoeg om ook nog  de effecten van klimaatverandering aan te kunnen. De Deltawerken hebben laten  zien dat maatregelen die zijn ontworpen voor de bescherming tegen het water de aanwezige natuur dusdanig onder druk zetten dat zij hier en daar het onderspit moest delven. De gevolgen van klimaatverandering kunnen dus bedreigend zijn voor de natuur.

Maatregelen tegen zeespiegelstijging door klimaatverandering (waaronder dijken)   kunnen prima samengaan met aanleg van extra natuur

Het natuurbeleid is er vaak op gericht te behouden wat we nu hebben. Maar natuur is veranderlijk en reageert op haar omgeving. Als maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering nodig zijn, kan er met slimme oplossingen voor  de natuur ook juist iets moois ontstaan. Als het waterpeil van het IJsselmeer mee  zou stijgen met de zeespiegel (zie kader op bladzijde 41), verdwijnen de huidige vooroevers en ondiepten bijna allemaal onder water. Dat is jammer, want hier bevindt zich net de meest waardevolle natuur. Maar als het peil omhoog gaat, moeten ook de dijken rond het meer omhoog. Die verhoging kan worden gecombineerd met de aanleg van nieuwe ondiepten en vooroevers die de golfaanval op de dijken beperken en lokaal het water geschikt maken voor waterplanten en vogels. Maatregelen die met het oog op de gevolgen van klimaatverandering nodig zijn, kunnen op die manier dus samengaan met aanleg van extra natuur.

Zeekraal of spinazie uit de delta?

"Mag zout zeewater weer verder Zeeland binnenkomen? De landbouw ziet de verzilting als een bedreiging voor haar bestaan. Er worden nogal wat aardappelen, suikerbieten en granen verbouwd op de eilanden, en die kunnen niet zonder zoetwater. Maar zilte landbouw is de toekomst. Wie weet, misschien eten we over tien jaar zeekraal in plaats van broccoli."

In het zuidwesten van ons land verdienen ruim 5.000 boeren op 200.000 ha landbouwgrond met het verbouwen van aardappelen, suikerbieten en groenten jaarlijks ongeveer 250 miljoen Euro. Veel van die gewassen kunnen niet tegen brak of zout water: de landbouw op de eilanden is afhankelijk van zoetwater lenzen in de ondergrond en de aanvoer van zoetwater voor beregening. Ook andere bedrijfstakken zijn indirect van dat zoete water afhankelijk: bijvoorbeeld de fabrieken  die voor grote delen van Europa van Zeeuwse Bintjes frites maken.

De Deltacommissie heeft onlangs voorgesteld om een deel van de zuidwestelijke deltawateren weer te laten verzilten en daarmee terug te keren naar de situatie van vóór de Deltawerken. Doel daarvan is om geleidelijke overgangen van zoet naar zout water te herstellen ten behoeve van de natuur en milieuproblemen zoals met de blauwalg in het Volkerak-Zoommeer op te lossen. Het weer zout laten worden van het Veerse Meer is al een feit. Ook is al besloten de Haringvlietsluizen op een kier te zetten.

De landbouw, en in het bijzonder de groententeelt, zit niet op deze maatregelen te wachten. Groenten moeten snel in de supermarkt of in de fabriek liggen, op vooraf in contracten vastgelegde data zodat de producten bijtijds in folders en op TV kunnen worden aangeprezen. Het tijdpad van zaaien, oogsten en leveren wordt strak geregisseerd, en dus moet ook de beregening onder controle zijn. Een bui is niet te plannen: er moet zoet water in de buurt zijn. Dat water kan uit het achterland worden aangevoerd: daar is water genoeg, al zijn voor die aanvoer wel investeringen nodig. Een andere oplossing is het overschakelen van consumenten op zouttolerante groente: zeekraal en lamsoor in plaats van spinazie en broccoli. Op kleine schaal wordt met zulke teelten geëxperimenteerd, voor specifieke markten zoals toprestaurants. Ook ligt er al enige tijd (geïmporteerde) zeekraal in de schappen bij de supermarkt. De vraag is (nog) beperkt: de voorkeur van consumenten verandert niet snel.

Vooralsnog blijven zilte teelten dus een nicheproduct. In de praktijk zullen we nog wel een tijdje broccoli en spinazie uit de delta blijven eten, misschien tegen iets hogere prijzen als er voor zoetwater betaald moet gaan worden.

 Met groene daken wil Rotterdam de belasting op het rioolstelstel minderen en de luchtkwaliteit verbeteren

"Al sinds begin vorige eeuw worden groene daken sporadisch ingezet. In noordelijke landen als isolatie tegen de kou en in zuidelijke landen tegen de hitte. Ook Rotterdam ziet nu de voordelen in van het plaatsen van de vochtvretende sedumplantjes op platte daken. Zelf geeft de gemeente het goede voorbeeld door gemeentelijke gebouwen te voorzien van een groen dak."

Rotterdam staat niet alleen: veel gemeenten hebben groene daken omarmd als middel om de stad meer klimaatrobuust te maken. Groene daken houden water vast zodat het water van zware stortbuien minder snel naar het riool afstroomt. Ook isoleren ze de woningen tegen de kou van de winter en de hitte van de zomer. Kunnen de gevolgen van klimaatverandering voor steden met groene daken worden getemperd?

Niet alle groene daken zijn even effectief. Dunne groene daken – meestal sedumdaken -  hebben in vergelijking met een gewoon groen dak slechts een beperkte extra capaciteit om water vast te houden. Wel kunnen ze tot een redelijke dakhelling worden aangebracht, hoewel de het vermogen om water vast te houden dan natuurlijk afneemt. Tijdens de zomer droogt het sedum uit en verkleurt het dak, wat visueel een mooi effect oplevert maar geen temperatuurverlagend effect heeft.

Dikkere groene daken hebben meer effect. In een dikkere laag speciale teelaarde op platte daken groeien planten en struiken. Die laag houdt veel vocht vast, waardoor veel minder neerslag tot afvoer komt en er een grote afvoervertraging optreedt. Bovendien draagt de verdamping bij aan de afkoeling van de stad tijdens de zomer. Op hete dagen warmen steden, door de grote hoeveelheid asfalt en beton, extra sterk op ten opzichte van de omgeving, dit effect wordt het urban heat island effect genoemd. Het is nog niet bekend hoe in welke mate  groene daken bijdragen aan de vermindering hiervan. Voor het binnenhuisklimaat van de woningen heeft de dikke laag grond een isolerend effect.

Dikke groene daken maken de stad ‘klimaatbestendiger’, maar ze hebben ook nadelen. De planten en struiken op de daken moeten tijdens een lange, warme en droge periode van water worden voorzien. Irrigatie met drinkwater lijkt niet erg duurzaam. Ook hebben de  planten en struiken extra voedingsstoffen nodig omdat de neerslag die onvoldoende levert. Die stoffen worden toegevoegd als (kunst)mest. De meststoffen spoelen echter ook uit waardoor deze groene daken enigszins bijdragen aan de eutrofiering van het stedelijk oppervlaktewater. Ook is nog niet bekend hoe effectief groene daken bijdragen aan de beheersing van de temperatuur in de stad.

Dunne groene daken dragen weinig bij aan het ‘klimaatbestendig’ maken van de stad. Dikke groene daken hebben meer effect, maar ook nadelen voor het stedelijk milieu. Als we die nadelen weten in te perken, kunnen groene daken bijdragen aan een meer ‘klimaatbestendige’ stad.

Utrecht speelt met bestrating in op klimaatverandering

" Hevige regenbuien zijn in ons land een van de duidelijkste merkbare gevolgen van klimaatverandering. Waterdoorlatende bestrating is een manier om wateroverlast te voorkomen. Zo vervangt de gemeente Utrecht op grote schaal de reguliere straatstenen door klinkers met brede voegen. Door de voegen loopt het water direct in de grond, het riool wordt daardoor ontlast. "

Er is veel belangstelling voor de mogelijkheid om met doorlatende klinker- en tegelverharding de infiltratie van regenwater in de ondergrond te vergroten en zo het afstromen van regenwater via de riolering te verkleinen. Op de markt is speciale waterdoorlatende en waterpasseerbare verharding te koop. De eerste ervaringen hiermee zijn in het algemeen positief, hoewel verstoppingen soms moeilijk te verhelpen zijn. Er wordt veel praktijkonderzoek gedaan naar de technieken voor, en de frequentie van het juiste onderhoud. De opgedane praktijkkennis wordt in beperkte mate gedeeld in vakbladen en overleg-netwerken.

Voor een goede verharding is het van belang dat de aangelegde grondlaag onder de wegen (het cunet) voldoende water kan opnemen en dat overtollig grondwater via drainage goed kan worden afgevoerd. Eenmaal geïnfiltreerd water kan immers alleen via grondwaterafvoer het systeem verlaten; de verdamping is als afvoerweg geblokkeerd vanwege diezelfde verharding en het ontbreken van begroeiing. Met name de afvoer van het grondwater wil nog wel eens tekort schieten.

Met toepassing van waterdoorlatende bestrating kunnen gemeenten inderdaad inspelen op de gevolgen van klimaatverandering. Met de juiste ontwerpen kunnen zelfs meerdere doelen worden bereikt: minder piekbelasting van het rioolstelsel, een betere waterkwaliteit en meer mogelijkheden voor het winnen van warmte uit grondwater.

Wereld staat voor grootste migratiecrisis ooit

"Tussen nu en 2050 zullen minstens een miljard extra mensen migreren als gevolg van waterschaarste, overstromingen, grootschalige ontwikkelingsprojecten, mislukte oogsten en conflicthaarden door klimaatverandering. Dat voorspelt het nieuwe rapport van de Britse humanitaire organisatie, Christian Aid."

In Nederland houden we ons vooral bezig met de gevolgen van klimaatverandering die ons direct raken, zoals het toenemend overstromingsgevaar door hogere rivierafvoeren en een stijgende zeespiegel, de toenemende vraag naar zoetwater tijdens drogere zomers en wateroverlast door meer en zwaardere buien. Volgens berichten in de media zouden ook de gevolgen van klimaatverandering elders in de wereld veel invloed hebben op Nederland met zijn open economie en sterke afhankelijkheid van de wereldmarkt. Deze indirecte gevolgen zouden zelfs veel groter kunnen zijn dan de directe gevolgen voor onze eigen watersystemen. In Nederland is hier echter maar weinig onderzoek naar gedaan.

Een van de indirecte gevolgen zijn massale migratiestromen die door klimaatverandering op gang zouden worden gebracht. Een bekend voorbeeld is de toekomst van de bevolking van koraal eilanden zonder hoger achterland zoals op Tuvalu, een eilandenrijk in het westen van de Stille Oceaan dat nagenoeg onverdedigbaar is als de zeespiegel verder stijgt. De bewoners zullen op termijn hun eilanden moeten verlaten en, bijvoorbeeld, in Nieuw Zeeland hun toekomst moeten opbouwen. De Malediven eilandengroep is een ander voorbeeld. In deze voorbeelden is het gedrag van de bevolking voorspelbaar; er komt een moment dat hen niets anders rest dan hun eilanden te verlaten.

Voor andere delen van de wereld is het gedrag van de bevolking veel minder voorspelbaar, zeker waar het gaat om leefomstandigheden die langzaam slechter worden. Zo krijgt de bevolking van Bangladesh, door de stijgende zeespiegel, te maken met een toenemend overstromingsrisico, een verzilting van landbouwgronden en grotere problemen bij het veiligstellen van voldoende zoetwater. Op welk moment in de toekomst, en in welke mate, komt de bevolking in beweging? Wat deze problemen betreft is Bangladesh geen unicum: een groot deel van de wereldbevolking woont in delta’s net boven de zeespiegel.

Op basis van wetenschappelijk onderzoek kunnen geen harde uitspraken worden gedaan over de gevolgen van klimaatverandering op eventuele migratiestromen in de toekomst. Het is echter goed om te constateren dat indirecte effecten van klimaatverandering, zoals migratie, een grote impact zouden kunnen hebben. Het tijdig uitvoeren van klimaat adaptatie maatregelen kan helpen de kwetsbaarheid van deze gebieden te verminderen.

Oprukkend zout bedreigt drinkwatervoorziening Zuid-Holland

"Alles wijst er op dat het oppervlaktewater en grondwater in Zuid-Holland de komende tientallen jaren zouter wordt. De oorzaak is klimaatverandering. De verzilting vormt een bedreiging voor met name de drinkwatervoorziening uit het grondwater. Maar ook de oppervlaktewaterbedrijven moeten zoeken naar oplossingen."

Een groot deel van Nederland is voor zoetwater afhankelijk van oppervlaktewater. Met name de aanvoer van de Rijn en Maas zijn cruciaal. Het zoete water wordt onder meer gebruikt voor irrigatie in de landbouw, als grondstof en koelwater voor de industrie, voor de drinkwatervoorziening, en voor het handhaven van waterpeilen in gebieden met veen of samendrukbare grondlagen. Daarbij zijn zowel de hoeveelheid beschikbaar water als de kwaliteit van dat water van belang. Vooral voor de productie van drinkwater mag het water niet te zout zijn. Ook gelden er strenge Europese richtlijnen ten aanzien van de temperatuur en de concentratie verontreinigende stoffen. Met name het zoutgehalte en de temperatuur worden beïnvloed door de klimaatverandering.

Als gevolg van de klimaatverandering gaan de Rijn en de Maas in de zomer naar verwachting minder water afvoeren. De verschillende functies die van het zoetwater afhankelijk zijn, zullen het met minder zoetwater moeten doen. Vooral voor de bestrijding van het zout dat vanuit zee via het oppervlaktewater en vanuit het grondwater als zoute kwel het land binnendringt, is veel zoetwater nodig. Het probleem van verzilting neemt toe doordat het zoute zeewater als gevolg van de zeespiegelstijging verder het land indringt.

Volgens experts is het zeer waarschijnlijk dat door klimaatverandering zomers met meer verzilting vaker zullen voorkomen. Het KNMI heeft vier klimaatscenario’s uitgebracht van mogelijke ontwikkelingen van het klimaat tussen nu en 2050. Twee van deze scenario’s laten merkbaar lagere zomerafvoeren zien. De extreem droge zomer van 2003 is waarschijnlijk een gemiddelde zomer in 2050. Vast staat dat de zeespiegel tot het eind van deze eeuw 50 tot 100 cm stijgt. Er zal dus meer zout het land binnendringen dat met minder zoetwater kan worden bestreden terwijl andere functies zoals de landbouw dan juist meer water nodig hebben.

De droge zomer van 2003, met lage afvoeren van Rijn en Maas, leverde in sommige delen van Nederland en in sommige sectoren (zoals boomteelt en energie) problemen op. De drinkwatervoorziening kwam echter niet in gevaar. Klimaatverandering zal vooral in Zuid-Holland leiden tot meer verzilting. Er zullen maatregelen nodig zijn voor enkele innamepunten voor drinkwaterproductie die dicht bij open zeeverbindingen liggen. Maar in principe wordt voor de drinkwatervoorziening gebruik gemaakt van voorraadvorming (in de duinen, dan wel in oppervlaktespaarbekkens), en zal de overbruggingtijd voor niet meer kunnen innemen langer moeten worden gemaakt. Bovendien zijn investeringen in het verplaatsen van de waterinname of in technologie voor de verbetering van de kwaliteit al gauw lonend. Maatregelen om de verzilting te bestrijden zullen nodig zijn, maar een drinkwatercrisis zal er niet hoeven te komen.

Europa gaat steeds meer extreme zomers krijgen

De droge zomermaanden van de afgelopen jaren worden al gauw gezien als voortekenen van klimaatverandering, zowel in Nederland68 als elders in Europa69. Ze passen in het beeld van de verwachte klimaatverandering voor de toekomst maar dergelijke zomers kunnen ook zonder klimaatverandering optreden. In welke mate Europa in de toekomst meer extreme zomers70 gaat krijgen, hangt vooral af van eventuele veranderingen in de luchtstromingspatronen. Als die veranderingen beperkt  blijven, zal de toename van de droogte in Europa ook beperkt blijven. Maar  als ’s zomers de wind vaker uit het oosten gaat waaien, zullen de watertekorten  dramatisch toenemen.

Bij dreigende tekorten kunnen in Nederland grotere zoetwater buffers worden gecreëerd in het IJsselmeergebied en het Volkerak-Zoommeer. Maar als de vraag naar water groter is dan het aanbod, moeten keuzes worden gemaakt zodat het  beschikbare water zo eerlijk mogelijk wordt verdeeld.

Het klimaatbestendig maken van Nederland (met het oog op een hogere zeespiegel) is   een van de grootste ruimtelijke opgaven van de 21e eeuw

Terecht wordt het klimaatbestendig maken van Nederland een van de grootste ruimtelijke opgaven van de 21e eeuw genoemd. Het is echter onterecht om dan alleen te verwijzen naar een hogere zeespiegel. Ook het omgaan met hogere rivierafvoeren, met zwaardere buien en wateroverlast in de stad en op het platteland,  en met periodes van droogte en hitte, lage rivierwaterstanden, en verzilting door het ver landinwaarts binnendringen van zeewater en door zout grondwater dat onder druk vanuit de ondergrond naar boven komt (kwel) staat aan de basis van de ruimtelijke opgave voor de toekomst. Het waterbeheer in Nederland moet  permanent tegen klimaatverandering bestand worden gemaakt, en daarbij  gaat het om al deze zaken. Het gaat ook om alle delen van het land: de grote steden, woonwijken in laaggelegen polders, landbouwgebieden, natuur etc. Het  vaker voorkomen van extremere weercondities zal grote consequenties hebben voor de inrichting van Nederland.

Het waterbeheer in Nederland moet langdurig bestand worden gemaakt tegen klimaatverandering

Terecht wordt het klimaatbestendig maken van Nederland een van de grootste ruimtelijke opgaven van de 21e eeuw genoemd. Het is echter onterecht om dan alleen te verwijzen naar een hogere zeespiegel. Ook het omgaan met hogere rivierafvoeren, met zwaardere buien en wateroverlast in de stad en op het platteland, en met periodes van droogte en hitte, lage rivierwaterstanden, en verzilting door het ver landinwaarts binnendringen van zeewater en door zout grondwater dat onder druk vanuit de ondergrond naar boven komt (kwel) staat aan de basis van de ruimtelijke opgave voor de toekomst.

Het waterbeheer in Nederland moet permanent tegen klimaatverandering bestand worden gemaakt, en daarbij gaat het om al deze zaken. Het gaat ook om alle delen van het land: de grote steden, woonwijken in laaggelegen polders, landbouwgebieden, natuur etc. Het vaker voorkomen van extremere weercondities zal grote consequenties  hebben voor de inrichting van Nederland.

Wonen op het water is populair vanwege ruimtegebrek en de klimaatverandering 

In de media wordt wonen op het water als een goed alternatief naar voren geschoven met het oog op klimaatverandering, voor als Nederland onder water  komt te staan. Mocht het zover komen dan drijft de woning gewoon wat hoger  op het water. Om de drijvende woningen in tijden van hoogwater bereikbaar te  houden en te voorzien van water en stroom moet goed worden nagedacht over de  plek waar gebouwd wordt. Grootschalig wonen op het water is nog niet vertoond  alle projecten tot nu toe zijn kleinschalig van aard. En gaan we die mogelijkheden  wél ontwikkelen dan is het maar de vraag waar we die ruimte op het water kunnen vinden. Wonen op het water zou populair zijn vanwege ruimtegebrek en de klimaatverandering, alsof op het water nog de ruimte te vinden zou zijn die op het land al is bezet. Maar ook de Nederlandse wateren zijn belegd met allerlei functies, zoals recreatie, visserij en scheepvaart, die ruimte claimen. Een grootschalige oplossing wordt wonen op het water dus waarschijnlijk niet.

Klimaatverandering vergt aanpassingen aan het riool 

In het verleden ging het regenwater met het huishoudelijk afvalwater door dezelfde buis naar de rioolwaterzuiveringinrichting (rwzi). Dit wordt daarom ook  wel een gemengd stelsel genoemd. Bij een gemengd stelsel kan het riool met het  afvalwater bij zware buien overbelast raken. Het vuile water kan dan via nooduitlaten (overstortputten) in de stadswateren terecht komen. Tegenwoordig worden deze gemengde stelsels aangepast zodat het schone, afstromende regenwater schoon blijft en niet naar de rioolzuivering hoeft, en overbelasting wordt voorkomen. Dat scheelt in de zuiveringskosten en de hoeveelheid water die de rioolbuizen moeten kunnen afvoeren, en voorkomt vervuiling van stadswateren bij  zware buien.

Het meest effectief is het afkoppelen van verhard oppervlak, zodat er minder   regenwater naar het gemengde stelsel wordt afgevoerd. Het regenwater wordt dan door goten afgeleid naar infiltratievoorzieningen zoals wadi’s of ondergrondse infiltratiekratten, waar het in de bodem zakt en het grondwater aanvult.

Gemengde stelsels zijn een verstandige aanpassing in het licht van een verwachte klimaatverandering met vaker voorkomende zware buien. Klimaatverandering vergt aanpassingen aan het riool , maar er zijn ook andere mogelijkheden om (de schade door) wateroverlast te bestrijden. Met voldoende open water in de stedelijke omgeving kan het water van zware buien worden geborgen. Ook zou Nederland de straten kunnen gebruiken als open riool voor het opvangen van overtollig (regen)water. Dat klinkt misschien gek maar het open riool bevat in dit geval alleen schoon regenwater en geen vies huishoudelijk afvalwater. Helaas kunnen de straten tegenwoordig veel minder water bergen dan vroeger doordat de straten vaak nog maar 15 cm lager liggen dan de vloeren van de nieuwbouwwoningen. De mogelijkheid om op straat water te bergen heeft dus moeten wijken voor een betere toegankelijkheid van woningen. Terugkeer naar hogere vloeren ten opzichte van het straatniveau is één van de oplossingen voor wateroverlast door klimaatverandering.

Nederland moet straten gebruiken als open riool voor het opvangen van overtollig (regen)water

In het verleden ging het regenwater met het huishoudelijk afvalwater door dezelfde buis naar de rioolwaterzuiveringinrichting (rwzi). Dit wordt daarom ook  wel een gemengd stelsel genoemd. Bij een gemengd stelsel kan het riool met het  afvalwater bij zware buien overbelast raken. Het vuile water kan dan via nooduitlaten (overstortputten) in de stadswateren terecht komen. Tegenwoordig worden deze gemengde stelsels aangepast zodat het schone, afstromende regenwater schoon blijft en niet naar de rioolzuivering hoeft, en overbelasting wordt voorkomen. Dat scheelt in de zuiveringskosten en de hoeveelheid water die de rioolbuizen moeten kunnen afvoeren, en voorkomt vervuiling van stadswateren bij  zware buien.

Het meest effectief is het afkoppelen van verhard oppervlak, zodat er minder   regenwater naar het gemengde stelsel wordt afgevoerd. Het regenwater wordt dan door goten afgeleid naar infiltratievoorzieningen zoals wadi’s of ondergrondse infiltratiekratten, waar het in de bodem zakt en het grondwater aanvult.

Gemengde stelsels zijn een verstandige aanpassing in het licht van een verwachte klimaatverandering met vaker voorkomende zware buien. Klimaatverandering vergt aanpassingen aan het riool , maar er zijn ook andere mogelijkheden om (de schade door) wateroverlast te bestrijden. Met voldoende open water in de stedelijke omgeving kan het water van zware buien worden geborgen. Ook zou Nederland de straten kunnen gebruiken als open riool voor het opvangen van overtollig (regen)water. Dat klinkt misschien gek maar het open riool bevat in dit geval alleen schoon regenwater en geen vies huishoudelijk afvalwater. Helaas kunnen de straten tegenwoordig veel minder water bergen dan vroeger doordat de straten vaak nog maar 15 cm lager liggen dan de vloeren van de nieuwbouwwoningen. De mogelijkheid om op straat water te bergen heeft dus moeten wijken voor een betere toegankelijkheid van woningen. Terugkeer naar hogere vloeren ten opzichte van het straatniveau is één van de oplossingen voor wateroverlast door klimaatverandering.

Laaggelegen gebieden zullen afwisselend geteisterd worden door droogtes en hevige   regenval, die de landbouw ernstig zullen schaden

De laaggelegen landbouwgebieden zullen de gevolgen van de klimaatverandering zeker merken. Het is goed mogelijk dat de laaggelegen gebieden vaker afwisselend geteisterd worden door droogtes en hevige regenval, die de landbouw  ernstig schaden. Maar er zijn ook mogelijkheden om het land anders in  te richten en het landgebruik aan te passen aan veranderde omstandigheden. Hierbij kan het landgebruik niet los worden gezien van het waterbeheer in brede  zin: overtollig water kan tijdelijk worden opgevangen door laaggelegen gebieden  op de hoge gronden of polders onder water te laten lopen. Zo kunnen elders   problemen worden voorkomen.

De vraag naar watermanagement wordt groter door de klimaatverandering

 Vast staat dat de vraag naar watermanagement66 groter wordt door de klimaatverandering. De behoefte aan beter beheer en actieve ‘sturing’ van zowel de hoeveelheid water als van de waterkwaliteit zal toenemen doordat het  vaker hard regent en in de zomer langer droog blijft, bij hogere temperaturen. Met een grotere seizoensbuffer zijn pieken op te vangen zodat lange perioden van droogte meestal zonder grote problemen kunnen worden overbrugd. Het  IJsselmeer is een goed voorbeeld van een watersysteem waar in de toekomst  maatregelen genomen moeten worden waarmee zowel hogere rivierafvoeren als  extreme droogtes kunnen worden opgevangen.

IJsselmeer en Markermeer: ander peil voor een ander klimaat. Het IJsselmeer en Markermeer inclusief de omliggende (rand)meren spelen een belangrijke rol bij het opvangen van teveel water in natte tijden en de zoetwatervoorziening van het omliggende gebied in droge tijden.

Vanuit de meren wordt in droge tijden water in het omliggende gebied ingelaten voor het peilbeheer in landbouw- en natuurgebieden, voor de bestrijding van verzilting (zoute kwel) en voor het voorkomen van uitdroging van het veenweidegebied. Ook wordt aan het IJsselmeer water onttrokken voor drinkwaterbereiding. Het water van het Markermeer wordt gebruikt voor het doorspoelen van de Amsterdamse grachten en voor het terugdringen van zout water dat via het Noordzeekanaal het land binnendringt. Doorspoeling met water van het IJsselmeer moet ervoor zorgen dat de waterkwaliteit van het Markermeer zelf op peil blijft. De onttrekking van water aan het Markermeer en IJsselmeer mag er niet toe leiden dat het waterpeil in de meren zelf te laag komt te staan. Dan komt onder meer de scheepvaart in de knel doordat de vaardiepte te gering wordt.

In natte tijden watert het omliggende land op de meren af. Ook kan de aanvoer van IJsselwater naar het IJsselmeer dan groot zijn. Dat water wordt via sluizen in de Afsluitdijk op de Waddenzee geloosd.

De combinatie van al deze belangen vraagt om maatwerk bij het waterbeheer. Dat maatwerk komt neer op het sturen op waterpeilen voor de meren van het IJsselmeergebied: verschillende peilen voor de zomer en de winter. Het peil in de winter moet laag genoeg zijn om de vrije afvoer van omringende polderwateren en beken mogelijk te maken en een hoge IJsselafvoer veilig te kunnen bergen en door te sluizen naar de Waddenzee. Het peil in de zomer moet hoog genoeg zijn om water naar Friesland en Noord-Holland te kunnen laten stromen (peilbeheer boezemwateren) en om voldoende buffer te hebben voor een droge zomer. Op het IJsselmeer komen alle gevolgen van klimaatverandering bij elkaar. Hoge IJsselafvoeren komen vaker voor en nemen toe in hoogte terwijl de afvoercapaciteit van de sluizen in de Afsluitdijk, door de zeespiegelstijging, afneemt. Bovendien is voor de drogere zomers van de toekomst een grotere buffer van zoet water nodig. Om al deze belangen ook in de toekomst veilig te kunnen stellen, zijn op termijn aanpassingen aan het waterbeheer van het IJsselmeer (en Markermeer en omliggende meren) nodig. Die aanpassingen komen onder meer neer op een ander peilbeheer. Onderzocht wordt of de dijken rond het IJsselmeer misschien omhoog moeten: dan kan meer IJsselwater worden geborgen, kan dit water vanuit een hoger meerpeil nog steeds op de Waddenzee worden geloosd, en kan een grotere zoetwatervoorraad voor de  zomer worden opgebouwd.

Extreme droogte oorzaak dijkdoorbraak Wilnis

Als in de toekomst de perioden met watertekorten vaker voorkomen en langer gaan duren, levert dat verschillende problemen op: meer schade voor de landbouw door lagere opbrengst, een grotere kans op instabiele veendijken door uitdroging, zoals de dijkdoorbraak bij Wilnis in 2003 heeft laten zien, en vaker  een beperkte beschikbaarheid van koelwater voor energiecentrales. Verder kan ook de natuur schade ondervinden door bijvoorbeeld uitdroging, afname van de  waterkwaliteit (toename verzilting, eutrofiëring en vaker zuurstofloosheid), vaker optreden van botulisme en langduriger voorkomen van giftige drijflagen met blauwalg. De verslechtering van de waterkwaliteit levert ook gezondheidsrisico’s op voor de waterrecreatie. De drinkwatervoorziening wordt in de praktijk nauwelijks beperkt doordat grote buffers aanwezig zijn.

Droogte zomer 2007: de gevolgen van klimaatverandering zijn al merkbaar in Nederland

De droge zomermaanden van de afgelopen jaren worden al gauw gezien als voortekenen van klimaatverandering, zowel in Nederland68 als elders in Europa69. Ze passen in het beeld van de verwachte klimaatverandering voor de toekomst maar dergelijke zomers kunnen ook zonder klimaatverandering optreden. In welke mate Europa in de toekomst meer extreme zomers70 gaat krijgen, hangt vooral af van eventuele veranderingen in de luchtstromingspatronen. Als die veranderingen beperkt  blijven, zal de toename van de droogte in Europa ook beperkt blijven. Maar als ’s zomers de wind vaker uit het oosten gaat waaien, zullen de watertekorten dramatisch toenemen.

Bij dreigende tekorten kunnen in Nederland grotere zoetwater buffers worden gecreëerd in het IJsselmeergebied en het Volkerak-Zoommeer. Maar als de vraag naar water groter is dan het aanbod, moeten keuzes worden gemaakt zodat het  beschikbare water zo eerlijk mogelijk wordt verdeeld.

Watertekorten in Zuid-Europa in 2005: voortekenen van klimaatverandering?

 De droge zomermaanden van de afgelopen jaren worden al gauw gezien als voortekenen van klimaatverandering, zowel in Nederland68 als elders in Europa69. Ze passen in het beeld van de verwachte klimaatverandering voor de toekomst maar  dergelijke zomers kunnen ook zonder klimaatverandering optreden. In welke mate  Europa in de toekomst meer extreme zomers70 gaat krijgen, hangt vooral af van  eventuele veranderingen in de luchtstromingspatronen. Als die veranderingen beperkt  blijven, zal de toename van de droogte in Europa ook beperkt blijven. Maar  als ’s zomers de wind vaker uit het oosten gaat waaien, zullen de watertekorten dramatisch toenemen.

Bij dreigende tekorten kunnen in Nederland grotere zoetwater buffers worden  gecreëerd in het IJsselmeergebied en het Volkerak-Zoommeer. Maar als de vraag  naar water groter is dan het aanbod, moeten keuzes worden gemaakt zodat het  beschikbare water zo eerlijk mogelijk wordt verdeeld.

Is de aangenomen zeespiegelstijging van de Deltacommissie overdreven?

"Deltacommissie overdrijft gevaar. Volgens deskundigen heeft de Deltacommissie het ‘allerzwartste scenario’ geschetst om het enorme infrastructurele project aan de bevolking te verkopen."

Een aantal internationale deskundigen heeft op verzoek van de Deltacommissie een schatting gemaakt van de grootst denkbare stijging van de zeespiegel. Deze schatting wijkt af van die van het KNMIscenario uit 2006 en het 4e Inventarisatierapport van het IPCC: deze organisaties gaan uitgegaan van minder extreme bovengrenzen.Schattingen van de zeespiegelstijging zijn opgebouwd uit drie grote bijdragen: het uitzetten van de oceanen door de opwarming van dit waterlichaam,, het smelten van gletsjers en ijskappen op lagere breedten, en het smelten/afkalven of groeien van de grote landijsvoorkomens op hogere breedten op het land van Groenland en Antarctica. De schattingen van het IPCC (2007) zijn vooral gebaseerd op de uitzetting van de oceanen en de bijdrage van gletsjers en ijskappen op lagere breedten: wetenschappers verschilden sterk van mening over de bijdrage van het eventuele smelten en afkalven van de ijskappen van Groenland en Antarctica. Volgens het IPCC zal de zeespiegel deze eeuw wereldwijd met 18 tot 59 centimeter stijgen ten opzichte van het niveau van 1990. Echter aan de randen van de Groenlandse en het West-Antarctische schiereiland is de afstroming en afbraak van gletsjers en ijsplaten op diverse plaatsen de laatste jaren sterk toegenomen. Als deze versnelde afvoer deze eeuw doorzet, stijgt de zeespiegel nog 10 tot 20 centimeter meer. Het IPCC geeft in het rapport van 2007 een kleinere bandbreedte voor de geschatte wereldwijde zeespiegelstijging dan in het vorige rapport uit 2001: de schattingen van de uitzetting van het zeewater zijn verbeterd en de bijdrage van gletsjers en kleine ijskappen kan met meer zekerheid worden geschat.De schattingen van het KNMI (2006) voor de zeespiegelstijging rond Nederland zijn gebaseerd op de gegevens van het IPCC, aangevuld met 10 tot 20 cm extra zeespiegelstijging voor de tweede helft van deze eeuw als gevolg van de versnelde afstroming van ijs van Groenland en het Antarctische Schiereiland. Ook heeft het KNMI regionale invloeden op de uitzetting van het zeewater meegenomen: dit betekent 0-15 cm meer zeespiegelstijging in het noordoosten van de Atlantische Oceaan dan het wereldgemiddelde. Het KNMI (2006) schatte dat de zeespiegel in 2100, ten opzichte van 1990, 35 - 85 cm zal zijn gestegen.Voor de plausibele bovengrens van de stijging van de zeespiegel heeft de Deltacommissie bijdragen meegenomen waarover erg weinig bekend is maar die wel grote invloed zouden kunnen hebben. Zo zou temperatuurstijging de snelheid van de ijsstromen op Groenland en Antarctica nog verder kunnen doen toenemen waardoor in korte tijd meer ijs in zee stroomt en de zeespiegel sneller zou stijgen. Het is echter onzeker of met de beschikbare korte tijdreeks van (satelliet)waarnemingen al iets met enige zekerheid kan worden gezegd over het gedrag van ijskappen op de langere termijn. Maar het gaat meer over een "als, dan…" redenatie met enige plausibiliteit dan om een statistische projectie. Een andere bijdrage is te verwachten door het zogenaamde gravitatie effect dat optreedt als de kilometersdikke landijsmassa slinkt. Daardoor daalt de zeespiegel nabij Groenland en Antarctica maar op grotere afstand stijgt het zeeniveau dan. Volgens de huidige inzichten is in onze omgeving de stijging dan vooral te verwachten van het gravitatie effect bij Antarctica en niet bij Groenland. Een andere bijdrage is de daling van de bodem: de zeespiegel stijgt terwijl Nederland zakt (10 tot 20 cm). Samen leveren deze bijdragen (vooralsnog) een bovengrensschatting op van 65 - 130 cm zeespiegelstijging in 2100 ten opzichte van 1990. Er is onder de klimaat- en oceaanwetenschappers wel consensus dat de zeespiegel in de loop van komende eeuwen vele meters zal stijgen. De snelheid daarvan is punt van discussie.De keuzes van een hogere bovenschatting voor de zeespiegelstijging zijn vooral ingegeven door beleidskeuzes. Wetenschappers hebben in de totstandkoming van die keuzes informatie verstrekt ten aanzien van maximaal mogelijke combinaties van kansen. Deze bovenschatting is op andere uitgangspunten gebaseerd dan de 2006 scenario’s en het laatste IPCC rapport. Over de mate waarin deze nieuwe schatting overdreven is doet Deltares geen uitspraak.

Een aantal internationale deskundigen heeft op verzoek van de Deltacommissie een schatting gemaakt van de grootst denkbare stijging van de zeespiegel. Deze schatting wijkt af van die van het KNMIscenario uit 2006 en het 4e Inventarisatierapport van het IPCC: deze organisaties gaan uitgegaan van minder extreme bovengrenzen.

Schattingen van de zeespiegelstijging zijn opgebouwd uit drie grote bijdragen: het uitzetten van de oceanen door de opwarming van dit waterlichaam,, het smelten van gletsjers en ijskappen op lagere breedten, en het smelten/afkalven of groeien van de grote landijsvoorkomens op hogere breedten op het land van Groenland en Antarctica.

De schattingen van het IPCC (2007) zijn vooral gebaseerd op de uitzetting van de oceanen en de bijdrage van gletsjers en ijskappen op lagere breedten: wetenschappers verschilden sterk van mening over de bijdrage van het eventuele smelten en afkalven van de ijskappen van Groenland en Antarctica. Volgens het IPCC zal de zeespiegel deze eeuw wereldwijd met 18 tot 59 centimeter stijgen ten opzichte van het niveau van 1990.

Echter aan de randen van de Groenlandse en het West-Antarctische schiereiland is de afstroming en afbraak van gletsjers en ijsplaten op diverse plaatsen de laatste jaren sterk toegenomen. Als deze versnelde afvoer deze eeuw doorzet, stijgt de zeespiegel nog 10 tot 20 centimeter meer. Het IPCC geeft in het rapport van 2007 een kleinere bandbreedte voor de geschatte wereldwijde zeespiegelstijging dan in het vorige rapport uit 2001: de schattingen van de uitzetting van het zeewater zijn verbeterd en de bijdrage van gletsjers en kleine ijskappen kan met meer zekerheid worden geschat.

De schattingen van het KNMI (2006) voor de zeespiegelstijging rond Nederland zijn gebaseerd op de gegevens van het IPCC, aangevuld met 10 tot 20 cm extra zeespiegelstijging voor de tweede helft van deze eeuw als gevolg van de versnelde afstroming van ijs van Groenland en het Antarctische Schiereiland.

Ook heeft het KNMI regionale invloeden op de uitzetting van het zeewater meegenomen: dit betekent 0-15 cm meer zeespiegelstijging in het noordoosten van de Atlantische Oceaan dan het wereldgemiddelde. Het KNMI (2006) schatte dat de zeespiegel in 2100, ten opzichte van 1990, 35 - 85 cm zal zijn gestegen.

Voor de plausibele bovengrens van de stijging van de zeespiegel heeft de Deltacommissie bijdragen meegenomen waarover erg weinig bekend is maar die wel grote invloed zouden kunnen hebben. Zo zou temperatuurstijging de snelheid van de ijsstromen op Groenland en Antarctica nog verder kunnen doen toenemen waardoor in korte tijd meer ijs in zee stroomt en de zeespiegel sneller zou stijgen. Het is echter onzeker of met de beschikbare korte tijdreeks van (satelliet)waarnemingen al iets met enige zekerheid kan worden gezegd over het gedrag van ijskappen op de langere termijn. Maar het gaat meer over een "als, dan…" redenatie met enige plausibiliteit dan om een statistische projectie.

Een andere bijdrage is te verwachten door het zogenaamde gravitatie effect dat optreedt als de kilometersdikke landijsmassa slinkt. Daardoor daalt de zeespiegel nabij Groenland en Antarctica maar op grotere afstand stijgt het zeeniveau dan. Volgens de huidige inzichten is in onze omgeving de stijging dan vooral te verwachten van het gravitatie effect bij Antarctica en niet bij Groenland. Een andere bijdrage is de daling van de bodem: de zeespiegel stijgt terwijl Nederland zakt (10 tot 20 cm). Samen leveren deze bijdragen (vooralsnog) een bovengrensschatting op van 65 - 130 cm zeespiegelstijging in 2100 ten opzichte van 1990.

Er is onder de klimaat- en oceaanwetenschappers wel consensus dat de zeespiegel in de loop van komende eeuwen vele meters zal stijgen. De snelheid daarvan is punt van discussie.

Zoveel haast is niet nodig bij kustverdediging

"Laten we vooral niet overhaast reageren en ook investeren in meer kennis en een betere monitoring van de zeespiegel. Het blijft belangrijk de wetenschappelijke nuance niet uit het oog te verliezen bij het ontwikkelen en uitvoeren van nieuw beleid."

Klimaatverandering voltrekt zich over een lange tijdschaal. Daarom is bij het ontwerpen van aanpassingsstrategieën niet alleen de onzekerheid van de klimaatverandering van belang maar ook de onzekerheid in de ontwikkeling van de samenleving op technologisch, sociaal en economisch gebied. Het is essentieel om op het juiste moment de juiste strategieën te kiezen: wat (welke mogelijke strategieën) kunnen we verzinnen om de toekomstige veranderingen het hoofd te bieden en wanneer moeten we deze klaar hebben. Strategieën zijn robuust als zij effectief zijn onder sterk uiteenlopende condities.

Welke  robuuste strategieën we kunnen ontwerpen kiezen we met behulp van  toekomstscenario’s. We stellen ons een aantal (extreme) scenario’s voor van het klimaat en de samenleving in de toekomst, en bedenken welke inrichting van onze binnenwateren en kust daar het beste bij past. Vervolgens gaan we vanuit die toekomst terug naar het heden  om te bepalen wat we op korte termijn zouden kunnen doen, of  moeten laten, om voor die toekomst gesteld te staan.

Wanneer we zouden moeten handelen verkennen we door te kijken hoeveel verandering in klimaat of zeespiegelstijging ons huidige verdedigingssysteem tegen overstroming nog aan zou kunnen. De grootte van de verandering in, bijvoorbeeld, de stijging van de zeespiegel waarbij de huidige dijken, duinen en sluizen en het huidige waterbeheer daarvan niet meer voldoen, noemen we een knikpunt. De termijn waarop dat  knikpunt zou kunnen worden bereikt, volgt uit de vroegste (en laatste) verwachtingen van een bepaalde mate van doorwerking van de klimaatverandering op de zeespiegelstijging en rivierafvoeren. Dan weten we wanneer we op z’n vroegst (of op het laatst) klaar moeten zijn voor de introductie van alternatieve strategieën.

Haast is inderdaad niet nodig bij een versterking van de kust met het oog op het verwachte tempo van de klimaatverandering. In Nederland hebben we de tijd. Zelfs de bovengrens van de Deltacommissie komt neer op een zeespiegelstijging van ongeveer 13 mm per jaar. De maximale zeespiegelstijging die thans met satellieten wordt gemeten bedraagt 3 mm per jaar. Momenteel suppleren we met een tempo van 1,2 mm/jaar en dat is niet voldoende, de Delta commissie heeft daarom al geadviseerd om die suppletie in de toekomst flink op te schroeven. We zijn dan nog voldoende op tijd,.

Essentieel is dat wij komende generaties niet opzadelen met de gevolgen van onze keuzes nu. Het versterken van de kust met zand zoals de Deltacommissie heeft geadviseerd is daarom een uitstekende methode. Hiermee kunnen we flexibel reageren op de werkelijke stijging van de zeespiegel.

Dé zeespiegelstijging bestaat niet

"Gravitatie-effect verstoort badkuip illusie. Al 15 jaar komt de zeespiegel jaarlijks 3 millimeter omhoog. Gemiddeld dan wel te verstaan, want er zijn grote verschillen tussen diverse locaties op aarde. In sommige streken daalt de zeespiegel zelfs. Het gedrag van de zeespiegel is nog niet volledig begrepen."

Voor mensen aan boord van een schip op zee bij windstil weer en zonder stromingen lijkt de waterspiegel volmaakt glad. Een GPS aan boord die de waterspiegel volgt, geeft echter een heel ander beeld. De waterspiegel stijgt en daalt: hij is hoger dicht bij continenten en lager midden op zee. De zeespiegel volgt de zogenaamde geoïde en deze ligt niet precies op de ellips van de aardomtrek. Dit komt omdat de massa van continenten aan het water van de oceanen trekt volgens de gravitatiewetten van Newton. Dicht bij de continenten is de aantrekking het sterkst: daarom staat het water langs de randen van, bijvoorbeeld, de Middellandse zee hoger dan in het midden van de zee.

Ook ijs trekt aan het water van de oceanen. Hierdoor is de waterstand in de buurt van de ijskappen van Groenland en Antarctica hoger dan verder ervandaan. Als dit ijs smelt, wordt die aantrekking minder. Daardoor zorgt het smeltende ijs niet alleen voor een wereldwijde stijging van de zeespiegel, ongeveer 6 meter voor het ijs van Groenland en 70 meter voor dat van Antarctica, maar ook voor (grote) regionale verschillen. Zo zal door dit gravitatie-effect de stijging van de zeespiegel rondom Groenland relatief klein zijn: er komt meer water in zee maar het aantrekken van dat water door het landijs wordt minder.

Naast dit gravitatie-effect is er nog een ander effect dat tot regionale verschillen leidt: met het smelten van het landijs verdwijnt ook de druk van de ijskap op de aardkorst eronder waardoor de aardkorst lokaal wordt opgedrukt, hetgeen de zeespiegelstand beïnvloedt.

Het gecombineerde effect van deze gravitatie en elastische “vingerafdrukken” van de twee grote ijskappen is ook in Nederland  merkbaar: de zeespiegelstijging door het afsmelten van Groenland zal in Nederland minder groot zijn dan het wereldwijde gemiddelde. De schattingen over de grootte van deze effecten verschillen sterk. Als de beschikbare kennis over deze effecten en de lokale effecten van thermische uitzetting in de schatting voor de zeespiegelstijging voor Nederland wordt meegenomen, komen Nederlandse deskundigen op bandbreedtes voor de maximale stijging van 0,5-1,15 m in 2100 en 1,5-4 m in 2200.

De Deltacommissie heeft het gravitatie-effect niet buiten beschouwing gelaten en kwam voor 2100 tot hogere bovengrenzen: 55 - 120 cm exclusief lokale bodemdaling, en 65 – 130 cm inclusief bodemdaling.

‘Haven slibt dicht door Zandmotor’

”Kan het zijn dat er zoveel zand wordt opgeworpen dat je straks bij het Kurhaus op je fiets moet stappen om naar de zee te gaan voor je een frisse duik kan nemen.” Het project heeft grote consequenties voor met name de Scheveningse haven. Deze zou kunnen dichtslibben, met alle gevolgen van dien voor de visserij en toeristische scheepvaart. "

Het grootste deel van de Nederlandse kust wordt beschermd met zand. Jaarlijks wordt 12 miljoen kubieke meter zand op de vooroever en het strand van onze kust gespoten om de hoeveelheid zand van het kustfundament, en daarmee de kustbescherming, op peil te houden. Het kustfundament groeit zo mee met de huidige zeespiegelstijging van ongeveer 2 mm per jaar. Als de zeespiegel door klimaatverandering sneller gaat stijgen, is meer zand nodig om het kustfundament met die stijging te laten meegroeien. Hoeveel meer, is niet bekend: de getallen die genoemd worden, variëren van 20 tot 85 miljoen kubieke meter per jaar. De Deltacommissie heeft voorgesteld om nu al veel meer zand voor de Hollandse kust te suppleren dan nu het geval is. Zo groeit de kust aan, wordt alvast geanticipeerd op de gevolgen van klimaatverandering en ontstaat er meer ruimte voor natuur en recreatie. De methode waarmee dat zou kunnen, is de zandmotor.

Het principe van de zandmotor is er op gebaseerd dat niet de baggerschepen het zand over de hele kust verspreiden maar dat de natuurkrachten het werk doen. Af en toe wordt een zeer grote hoeveelheid zand (5 – 20 miljoen m3) neergelegd op een locatie voor de kust van waaruit het getij en de wind zorgen voor de verspreiding van het zand langs de kust. Het storten op één locatie gebeurt in korte tijd, de verspreiding door de getijstroom en de wind gaan geleidelijk. Afhankelijk van de snelheid van de zeespiegelstijging kan meer of minder zand worden gestort. De grootte van de zandmotor kan dus worden bijgesteld, al naar gelang de waargenomen snelheid van de zeespiegelstijging. De zandmotor kan de vorm krijgen van een zandeiland, een strandhaak, een verbreed strand of een vooroeversuppletie onder water.

Een eerste proef met een zandmotor start binnenkort voor de kust van Delfland. De provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat, enkele gemeenten, onderzoeksinstellingen en de baggersector werken hierbij samen. Het onderzoek richt zich op het morfologische gedrag en de ecologische effecten van een dergelijke omvangrijke zandsuppletie. Ook wordt onderzocht met welke uitvoering van de zandmotor verschillende belangen bij het zandbeheer langs de kust, zoals kustverdediging, strandrecreatie en natuurontwikkeling, kunnen worden bediend. Daarnaast kan ervaring worden opgedaan met de financiële en bestuurlijke samenwerking rond megasuppleties. Ook in Zeeland en Groningen lopen initiatieven om ervaring op te doen met zandmotoren.

De voordelen van een zandmotor kunnen groot zijn. Tegen relatief lage kosten wordt onze kustbescherming op een natuurlijke wijze op peil gehouden. De grootte van de zandbeweging langs de kust en de snelheid van kustaangroei kunnen worden bijgestuurd door meer of minder zand op de stortlocatie te suppleren.

Biesbosch ‘gebaat’ bij hoogwaters van ’93 en ‘95

‘Met het doorsteken van de dam worden de Maas en de Rijn via het nieuwe zoetwatergetijdegebied de Kleine Noordwaard met elkaar verbonden. Als ook de Grote Noordwaard in 2015 is afgerond is het voor Nederlandse begrippen toch al omvangrijke Nationaal Park De Biesbosch bijna verdubbeld in grootte. Na twee jaar hoogwater, in 1993 en 1995, kreeg Staatsbosbeheer deze nieuwe natuur min of meer in de schoot geworpen. Er kwam opeens haast om meer ruimte voor rivieren te maken. Deze dunbevolkte landbouwgebieden, die grenzen aan de Biesbosch en zijn ingeklemd door rivieren, waren heel geschikt als overloopgebied. De rivierdynamiek komt terug. Bochten worden uitgesneden door het water, langzaam maar zeker ontstaan er natuurlijke geulen…’

De Noordwaard is een dijkring die aan de noordzijde grenst aan de Merwede en aan de zuidzijde aan de Biesbosch. Het is een dunbevolkt landbouwgebied. Voordat het gebied ongeveer dertig jaar geleden een dijkring werd, was het een afwisseling van kleine polders en kreken. De komende jaren zal het gebied opnieuw worden ingericht. De dijkring wordt sterk verkleind tot een groep woningen en bedrijventerreinen in het noordoosten van de Noordwaard. De rest van het gebied komt buitendijks te liggen (wordt ‘ontpolderd’) en gaat bij hoge waterstanden op de Merwede Rijnwater afvoeren.  

De ontpoldering van de Noordwaard is één van de projecten van het Programma Ruimte voor de Rivier. Dit programma is ontwikkeld in verband met de hoogwaters van 1993 en 1995 op de Rijn. De maatgevende afvoer van de Rijn bij 1/1250 jaar (de veiligheidsnorm) werd door deze hoogwaters naar boven bijgesteld van 15.000 naar 16.000 m3/s. Door deze hogere maatgevende afvoer waren veel bestaande dijken niet hoog genoeg.  Een verdere ophoging van de dijken was niet gewenst; de rivieren moesten meer ruimte krijgen zodat dijkverhoging zoveel mogelijk kon worden vermeden. De ontpoldering van de Noordwaard levert bij zeer hoge afvoeren een verlaging van de waterstand op de Merwedes op van minimaal 60 cm bij Werkendam en 30 cm bij Gorinchem. Ook wordt de landschappelijke belevings, gebruiks- en toekomstwaarde (ruimtelijke kwaliteit) van het rivierengebied, een tweede doelstelling van Ruimte voor de Rivier, door de ontpoldering vergroot.

Als gevolg van de klimaatveranderingen zal de maatgevende afvoer van de grote rivieren verder toenemen tot maximaal 18.000 m3/s. De voorziene maatregelen in de Biesbosch zullen ook voor deze grotere hoogwaters een belangrijke bijdrage bieden aan de veiligheid.

Als de ontpoldering van de Noordwaard een feit is, kan het water vanuit het Hollands Diep en de Biesbosch het gebied weer instromen. Gemiddeld eens per jaar zal ook aan de noordkant water door inlaten in de Merwededijk het gebied instromen. Het deel van de Noordwaard waar het water in- en uitstroomt, zal echter beperkt zijn. In het gebied blijven mensen wonen en blijven landbouwbedrijven bestaan, achter dijken die gemiddeld eens per 100 of 1000 jaar overstromen. Zelfs in de niet bewoonde gebieden zullen delen met kades worden omringd zodat die in de zomer droog blijven en geschikt voor de landbouw. Ook in de gebieden zonder kades krijgt de natuur niet volledig vrij spel. De vegetatie zal daar kort worden gehouden zodat de vrije afvoer van rivierwater tijdens hoogwater niet wordt belemmerd.

De Biesbosch heeft ‘baat’ gehad bij de hoogwaters van 1993 en 1995: de ontpolderde Noordwaard betekent een uitbreiding van natuurwaarden in dit gebied ten opzichte van de huidige dijkring. Een dynamisch natuurgebied met eroderende geulen zal het gebied echter niet worden. Teveel dynamiek brengt de veiligheid van de bewoners en de functie van het gebied als afvoerroute bij extreem hoge Rijnafvoer immers in gevaar.

Over vijftien jaar staat Jakarta onder water

"Indonesië kampt met dezelfde problemen als wij: het is dichtbevolkt, de bodem daalt en de zeespiegel stijgt. Alleen zijn de problemen in Indonesië vele  malen groter. De bodem van Jakarta daalt zo hard, dat het in 2025 onder water staat. Er is nog vijftien jaar om een ramp te voorkomen."

In februari 2007 kostte een overstroming van Jakarta na een periode met zware regenval aan meer dan 50 mensen het leven. De schade bedroeg bijna $ 1 miljard. Belangrijkste oorzaak van de overstroming: de verstoppingen van de vele waterwegen in de stad met huishoudelijk afval en sediment. Door Jakarta lopen dertien rivieren en een stelsel van kanalen. Uit onderzoek is gebleken dat 70-80% van de overstroming van 2007 voorkomen had kunnen worden als deze waterlopen bijtijds waren schoongemaakt.

De dreiging van een overstroming komt voor Jakarta niet alleen van de rivieren maar ook van zee. Die dreiging wordt steeds groter doordat grote delen van de bodem van de stad, als gevolg van de onttrekking van grondwater, dalen met gemiddeld 8 cm per jaar. Dit geldt niet alleen voor de bodem achter de dijken, maar ook voor de toch al zwakke dijken zelf. Het grote overstromingsrisico van Jakarta, waarvan de helft van de bevolking van 9 miljoen mensen onder zeeniveau leeft, wordt hierdoor nog groter, tenzij bijtijds maatregelen worden getroffen. 

In de nacht van 3 op 4 juni 2008 stroomde het water van de Javazee Jakarta in. Het water bereikte zeer hoge waterstanden. Toch was er geen sprake van een ramp: de autoriteiten hadden maatregelen genomen. Deltares had de waterstanden immers voorspeld. In zijn baan om de aarde bereikt de maan iedere 18,6 jaar een positie het dichtst bij de aarde. Dan is de aantrekkingskracht op het zeewater het grootst en worden de hoogste waterstanden bereikt. De nacht van 3 op 4 juni 2008 was zo’n moment. De komende jaren zal de invloed van de maan op de hoogte van de waterstanden afnemen om daarna weer toe te nemen. Als geen ingrijpende maatregelen worden genomen, zal de bodem van de stad inclusief de dijken over 18 jaar 1,5 meter lager liggen dan nu. De hoge waterstanden zullen waarschijnlijk al enkele jaren eerder dramatische gevolgen hebben.

Jakarta heeft dus te maken met een combinatie van slecht onderhoud van het watersysteem, sterke bodemdaling door menselijk handelen en wisselende waterstanden onder invloed van de cyclus van de maan. De invloed van zeespiegelstijging als gevolg van klimaatverandering komt daar nog eens bij. Indonesië heeft vijftien jaar de tijd om de hoogwaterbescherming van de stad te versterken en zo te voorkomen dat een groot deel van de stad over vijftien jaar onder water komt te staan.

Schepen ‘stranden’ om overstroming te voorkomen

"Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft in de landelijke oefening ‘Waterproef’ voorgesteld om voor de kust van Ter Heijde en Scheveningen mammoettankers gecontroleerd te laten stranden. De gestrande schepen moeten de kust beschermen tegen hoge waterstanden en golven als gevolg van zware storm en springtij. De gestrande schepen vormen als het ware een fictieve ‘duinenrij’ die fungeert als golfbreker. Hierdoor raken de echte duinen minder snel beschadigd."

In november 2008 hebben Nederlandse waterbeheerders, rampenbestrijders, hulporganisaties en bestuurders onder regie van de Taskforce Management Overstromingen geoefend hoe te handelen bij een grote overstroming. Één van de scenario’s die werd nagebootst, was een mogelijke overstroming door een extreem zware stormvloed op de Noordzee. In het scenario werden omstandigheden aangenomen die veel extremer zijn dan die waar de waterkeringen langs de kust op zijn ontworpen. Op enkele plekken langs de kust van Zuid-Holland is de duinenrij smal. Onder de zeer extreme, en zeer onwaarschijnlijke omstandigheden van de oefening zou de zee hier door de duinen kunnen breken. Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor het beheer van de waterkering van dit deel van de kust. Tijdens de oefening kwamen zij met een innovatief voorstel: door zeeschepen voor de kust te laten stranden zou de golfaanval op de duinen kunnen worden gereduceerd waardoor de kans op een doorbraak van de duinen zou kunnen worden verkleind.

Onder de tijdsdruk van de oefening heeft Deltares een eerste schatting gemaakt van de effectiviteit van het voorstel van het Hoogheemraadschap. Hieruit bleek dat afgezonken schepen de maximale golfhoogte inderdaad sterk kunnen doen afnemen, mits de afstand tussen de schepen niet te groot is. Op de hoogte van de waterstanden hebben zij echter geen effect. Met een rij achter elkaar afgezonken schepen op een onderlinge afstand van 50 meter zou de golfhoogte met ongeveer 40% kunnen afnemen. Deze afname van de golfhoogte betekent ook minder afslag van de duinen en dus een veel kleinere kans dat de duinen doorbreken en het achterland overstroomt. Tijdens de oefening schatte het Hoogheemraadschap de kans op een doorbraak van de duinen bij de extreme omstandigheden van de oefening op 30%. De eerste schatting liet zien dat deze kans door het afzinken van zeeschepen op een onderlinge afstand van 50 meter tot minder dan 5% zou kunnen worden teruggebracht.

Volgens een eerste schatting zou dit innovatieve voorstel kunnen werken, maar is het daarmee ook uitvoerbaar? De 6-7 schepen die hiervoor nodig zijn, zijn in de buurt altijd wel beschikbaar. Ook mogen deze onder noodomstandigheden worden gevorderd. Een probleem is wel dat minstens vijf dagen voor het afzinken moet worden begonnen met de organisatie. Het is dan nog zeer onzeker of die extreme stormvloed inderdaad gaat komen. Nemen bestuurders een dergelijk vergaand besluit als de kans dat dit nodig blijkt zeer klein is? Van belang hierbij is onder meer de vraag of de afgezonken zeeschepen de storm doorstaan en daarna niet hoeven te worden afgeschreven.

De vele onzekerheden rond de haalbaarheid van dit voorstel zullen in een vervolgonderzoek volop aan bod komen. Dan moet blijken of de eerste positieve indruk overeind blijft en of het technisch, planmatig, juridisch en bestuurlijk haalbaar is om schepen te laten ‘stranden’ om een overstroming te voorkomen.

Ondanks dijken en dammen zal Nederland vroeg of laat worden getroffen door een overstroming

De kans op een overstroming is vanwege het hoge beschermingsniveau van onze waterkeringen erg klein, maar niet nul. En dus zal vroeg of laat een overstroming plaatsvinden. Voor het laatst hebben we een overstroming meegemaakt  in 1995, toen een deel van de Maas buiten zijn oevers trad. Met aanvullende  beschermingsmaatregelen kan de kans op een overstroming nog verder worden verkleind maar kunnen overstromingen niet helemaal worden voorkomen.

Ons veiligheidsbeleid is zodanig georganiseerd dat wanneer blijkt dat klimaatverandering  leidt tot een hogere zeestand en meer extreme rivierafvoeren, de  waterstanden waar de waterkeringen op zijn ontworpen naar boven worden  bijgesteld. De versterking van de waterkeringen op basis van deze verhoogde  normwaterstanden levert dan weer dezelfde overstromingskans van vóór de klimaatverandering op. Hierdoor zullen gebieden in Nederland die gevoelig zijn voor overstromingen door klimaatverandering niet vaker overstromen.

Het stijgende zeeniveau zal stranden doen verdwijnen

Jaarlijks wordt 12 miljoen kuub zand uit de Noordzee in de kustzone gebracht.  Deze suppleties leveren voldoende bescherming bij de huidige zeespiegelstijging  van ongeveer 20 cm/eeuw. Dreigt in de loop der tijd meer van het kustfundament  onder water te verdwijnen, dan wordt het volume zand steeds verder opgevoerd.  Stel nu dat de zeespiegel de komende honderd jaar met 85 cm stijgt, dan zal jaarlijks 60 miljoen kuub zand gesuppleerd gaan worden. Dankzij deze suppleties houden wij de kustlijn met stranden en duinen op peil en zullen door het stijgende zeeniveau geen stranden verdwijnen39. Elders in de wereld, bijvoorbeeld bij kleine zandstranden langs rotsige kusten, kan het anders uitpakken.

Dijken zijn niet hoog genoeg voor de zeespiegelstijging

Bij de aanleg en het onderhoud van werken met een levensduur van circa 50-100 jaar, zoals dijken, wordt uitgegaan van 60 cm zeespiegelstijging per eeuw. Iedere  vijf jaar wordt de sterkte van deze waterkeringen getoetst aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten over de krachten die het zeewater op de  waterkeringen kan uitoefenen. Zodra een waterkering niet meer voldoet, wordt deze versterkt, rekening houdend met 60 cm zeespiegelstijging per eeuw. Zo zijn  de dijken altijd hoog genoeg bij een stijgende zeespiegel.

De Nederlandse kust moet worden verstevigd om zeespiegelstijging en grotere golfkracht   op te kunnen vangen

De Nederlandse kust moet worden verstevigd om zeespiegelstijging en grotere golfkracht op te kunnen vangen. Bij een versterking wordt de zeewering zowel hoger als breder gemaakt. Er is al ruimte achter de waterkeringen gereserveerd voor eventuele toekomstige versterkingen, uitgaande van het verwachte maximum scenario van 85 cm zeespiegelstijging per eeuw en een zichtduur van 200 jaar.

Kustgebieden lopen toenemende risico’s door stijging van het zeeniveau

Als kustgebieden zich niet wapenen tegen de stijgende zee, lopen zij toenemende risico’s door de stijging van het zeeniveau. Het KNMI acht de kans klein dat de zeespiegel voor de Nederlandse kust deze eeuw nóg meer stijgt dan 85 cm (in 2100 ten opzichte van 1990). Maar zelfs al zou de zee deze eeuw een tot anderhalve meter stijgen, dan nog is die stijging met extra zandsuppleties aan de kust, met aanpassingen aan de zeedijken en innovaties zoals overslagbestendige dijken goed op te vangen.

De kust kan de voorspelde zeespiegelstijging van een tot anderhalve meter in de   komende eeuw wel aan

Als kustgebieden zich niet wapenen tegen de stijgende zee, lopen zij toenemende risico’s door de stijging van het zeeniveau. Het KNMI acht de kans klein dat de zeespiegel voor de Nederlandse kust deze eeuw nóg meer stijgt dan 85 cm (in 2100 ten opzichte van 1990). Maar zelfs al zou de zee deze eeuw een tot anderhalve meter stijgen, dan nog is die stijging met extra zandsuppleties aan de kust, met aanpassingen aan de zeedijken en innovaties zoals overslagbestendige dijken goed op te vangen.

Dijken zijn de oplossing voor de zeespiegelstijging 

Ook de stijging van de zeespiegel met 2 tot 3 meter in de komende eeuwen is goed met zandsuppleties en hogere dijken op te vangen. Op die tijdschaal zijn rivierverruiming en dijken nog steeds de oplossing voor de zeespiegelstijging en hogere rivierafvoeren. We zullen dan overigens met name moeten kijken naar  de gebieden waar de problemen van hogere rivierafvoeren en een stijgende zeespiegel bij elkaar komen. Dat zijn de benedenlopen van Rijn en Maas (met name het gebied rond Rotterdam-Dordrecht), en het IJsselmeer (waar hogere IJsselafvoeren minder gemakkelijk op de Waddenzee kunnen worden geloosd).

De overstromingen in Engeland werden veroorzaakt door klimaatverandering

In de zomer van 2007 traden in Engeland enkele rivieren buiten hun oevers nadat het lange tijd hard had geregend. Volgens de media werden de overstromingen in  Engeland veroorzaakt door klimaatverandering.

Zoals in het eerste hoofdstuk (‘Het weer wordt extremer’) al is beschreven, hoeft een extreem natte maand niets te maken te hebben met klimaatverandering. Het weer is zo grillig dat dergelijke extremen mogelijk zijn zonder de verwachte klimaatverandering. Pas na een lange periode, waarin veel van dergelijke extremen zijn opgetreden, kan statistisch worden vastgesteld of een  extreme zomer zoals die van 2007 in Engeland in een trend van een veranderend klimaat past.

Het klimaat heeft het niet altijd gedaan 

Grote hoeveelheden aanhoudende regen in hetzelfde gebied komen niet zo vaak voor. Tussen twee vergelijkbare extremen in hetzelfde gebied kunnen veel jaren zitten, jaren waarin het landgebruik drastisch kan zijn veranderd. In landen zoals Engeland en Nederland is de afgelopen eeuw veel bijgebouwd in overstromingsgevoelige gebieden. Als het nu lang hard regent, kan dat veel meer schade en overlast veroorzaken dan vroeger. Het lijkt dan dat klimaatverandering tot grotere overstromingen leidt terwijl de omvang van die overstromingen zelf niet is veranderd maar de gevolgschade is toegenomen doordat we dichter bij het water zijn gaan wonen. Het klimaat heeft het dus niet altijd gedaan.

In Europa is het verdrogen of verdrinken

De gevolgen van klimaatverandering zullen voor verschillende delen van Europa  verschillend uitpakken: op de ene plek wordt het gemiddeld droger, op de andere plek gemiddeld natter. Bovendien kunnen in een zelfde gebied verschillende  extremen elkaar afwisselen: langer droog op het ene moment en langer nat op het  andere. Europa zal in de toekomst dan ook vaker met teveel of juist te weinig water te maken krijgen.

Smeltwater van de gletsjers vormt een klein deel van de totale waterstroom

De grote rivieren die door Nederland stromen, zijn de Rijn en de Maas. De Maas is een regenrivier, de Rijn een regen- en smeltwaterrivier. Het smeltwater van de Rijn komt van de gletsjers en sneeuwval in de Alpen. Smeltwater van de gletsjers vormt een klein deel van de totale waterstroom omdat het oppervlakte aan gletsjers, en daarmee het ijsvolume in de Alpen, ten opzichte van de oppervlakte van  het stroomgebied van de Rijn erg klein is. Indien alle gletsjers in het stroomgebied  van de Rijn in de komende 50 jaar zouden smelten, zou de afvoer bij Lobith  hierdoor minder dan 1% toenemen. Het smelten van gletsjers zal dus geen overstromingen  en geen watertekorten veroorzaken.

Op korte termijn zal het smelten van gletsjers overstromingen veroorzaken, op lange  termijn watertekorten

De grote rivieren die door Nederland stromen, zijn de Rijn en de Maas. De Maas is een regenrivier, de Rijn een regen- en smeltwaterrivier. Het smeltwater van de Rijn komt van de gletsjers en sneeuwval in de Alpen. Smeltwater van de gletsjers vormt een klein deel van de totale waterstroom omdat het oppervlakte aan gletsjers, en daarmee het ijsvolume in de Alpen, ten opzichte van de oppervlakte van het stroomgebied van de Rijn erg klein is. Indien alle gletsjers in het stroomgebied  van de Rijn in de komende 50 jaar zouden smelten, zou de afvoer bij Lobith hierdoor minder dan 1% toenemen. Het smelten van gletsjers zal dus geen overstromingen  en geen watertekorten veroorzaken.

Opwarming van de aarde betekent voor Nederland dat de rivieren zwellen door   smeltende sneeuwtoppen

Door klimaatverandering zal de neerslag in de Alpen in de winter meer in de vorm van regen en minder in de vorm van sneeuw vallen. Dit betekent dat de winterafvoer uit het Alpengebied groter wordt en de afvoer in lente en zomer kleiner. In de periode waarin nu de hoogste afvoeren bij Lobith optreden, zal de Rijnafvoer  nog hoger worden. De Rijn wordt, net als de Maas, een rivier die primair gevoed wordt door regenval. De Rijn zal niet zwellen door smeltende sneeuwtoppen maar door meer regen. In de zomerperiode gaan lage afvoeren vaker en vroeger voorkomen omdat dan geen sneeuwsmeltwater meer voorradig is.

Ontbossing in arme landen zorgt voor toename overstromingen 

De Nederlandse rivierdijken zijn ontworpen om het land tegen extreem hoge rivierafvoeren te beschermen. Die extreem hoge afvoeren treden alleen op als  het in het stroomgebied van de rivieren op grote schaal lang en hard regent, en als de ondergrond verzadigd met water of bevroren is. Onder die omstandigheden maakt het niet zoveel meer uit wat het landgebruik in het stroomgebied is:  de ‘spons’ van de ondergrond is verzadigd en de neerslag komt snel in de rivier terecht.

Arme landen in, bijvoorbeeld, Azië hebben een veel lager beschermingsniveau dan Nederland. Relatief vaak voorkomende hoogwaters kunnen daar al tot problemen leiden en dan is het type landgebruik juist wel van belang. Die vaker voorkomende hoogwaters treden op bij neerslaghoeveelheden die op zich voor die gebieden niet zo extreem zijn. Bij die neerslag is de ondergrond van een bosgebied nog niet verzadigd en kan deze ‘spons’ nog veel water vasthouden. De ‘sponswerking’ dempt zo de hoogte van de rivierafvoer. Maar als in die regio’s bosgebied wordt  omgezet in landbouw- of stedelijk gebied, neemt die sponswerking af. Regen stroomt dan sneller naar de rivier en afvoeren kunnen hogere waarden bereiken. Zo zorgt ontbossing in arme landen voor een toename van het aantal overstromingen.

Hoger rivierpeil kan worden opgelost door het verhogen van dijken en het aanleggen   van nieuwe rivieren

De Nederlandse rivierdijken kunnen een extreem hoog waterpeil veilig keren.   
Willen we ons beschermen tegen nog hogere waterstanden (met een nog kleinere    
kans op voorkomen), dan kan dat hogere rivierpeil worden beheerst door het    
verhogen van dijken en het aanleggen van nieuwe rivieren.

Nieuwe rivieren vergroten de totale afvoercapaciteit tussen de dijken. Dat nieuwe rivieren worden bepleit tegen wateroverlast door klimaatverandering is dus goed te begrijpen: het is een maatregel die de kans op overstromingen verkleint. Tot aan 2015 wordt in Nederland gewerkt aan meer ruimte voor water tussen de dijken van Rijn en Maas. Niet door nieuwe rivieren aan te leggen, maar wel door onder meer  uiterwaarden af te graven, obstakels in het winterbed te verwijderen, nevengeulen naast de hoofdgeul te graven, lokaal dijken te verleggen en waar rivierverruiming  niet haalbaar is dijken te verhogen.

Nieuwe rivieren bepleit tegen wateroverlast door opwarming 

De Nederlandse rivierdijken kunnen een extreem hoog waterpeil veilig keren. Willen we ons beschermen tegen nog hogere waterstanden (met een nog kleinere kans op voorkomen), dan kan dat hogere rivierpeil worden beheerst door het  verhogen van dijken en het aanleggen van nieuwe rivieren.

Nieuwe rivieren  vergroten de totale afvoercapaciteit tussen de dijken. Dat nieuwe rivieren worden bepleit tegen wateroverlast door klimaatverandering is dus goed te begrijpen:  het is een maatregel die de kans op overstromingen verkleint. Tot aan 2015  wordt in Nederland gewerkt aan meer ruimte voor water tussen de dijken van Rijn en Maas. Niet door nieuwe rivieren aan te leggen, maar wel door onder meer  uiterwaarden af te graven, obstakels in het winterbed te verwijderen, nevengeulen  naast de hoofdgeul te graven, lokaal dijken te verleggen en waar rivierverruiming  niet haalbaar is dijken te verhogen.

Gecontroleerde overstroming beperkt de wateroverlast elders 

De kans op een overstroming kan ook worden verkleind door elders, waar een overstroming relatief weinig schade kan aanrichten, juist een overstroming (noodoverloop) te laten plaatsvinden. Een gecontroleerde overstroming beperkt  de wateroverlast elders. Maar hier zitten veel haken en ogen aan. Zo is de maatschappelijke  weerstand tegen het aanwijzen van noodoverloopgebieden zo groot  dat eerder gemaakte keuzes voor deze gebieden weer zijn afgevallen.

Risico watersnood onderschat?

Media:

"Volgens de Taskforce Management Overstromingen is het gevaar van rampen door overstroming groter dan alle andere soorten calamiteiten bij elkaar. Er wordt hierbij verwezen naar een studie van het RIVM. Het risico wordt groter door bodemdaling, door stijging van de zeespiegel en hogere rivierafvoer in de winter."

Sinds 1953 is de kans op een overstroming van het meest kwetsbare deel van Nederland waarschijnlijk eerder afgenomen dan toegenomen. Allereerst zijn de Deltawerken uitgevoerd waardoor de kans op een overstroming vanuit zee van 1/100 per jaar naar 1/10.000ste is teruggebracht. De rivierdijken zijn ook allemaal versterkt tot 1/1250 jaar en in het overgangsgebied tussen de rivier en de zee is de kans 1/4000. Ook de dijken rond het IJsselmeer hebben een veiligheid van 1/4000 tegen overstroming vanuit dit binnenwater. Die kansen worden nog steeds kleiner omdat er ruimte wordt gemaakt voor hogere rivierafvoeren en omdat de zwakke schakels in de waterkeringen langs de kust worden versterkt. De kansen kunnen zonder extra maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering in de loop van deze en volgende eeuwen weer stijgen.De gevolgschade van een overstroming is nu wél groter dan vroeger. Dat geldt zeker voor de economische schade en het potentiële aantal getroffenen: de welvaart en de bevolking zijn sinds 1953 immers sterk gegroeid (de te beschermen waarden zijn daardoor toegenomen met een factor 4, de bevolking zal ongeveer verdubbeld zijn). Dus kansen zijn verminderd maar de gevolgen zijn toegenomen. Dat is ook de reden dat de veiligheidsfilosofie van het Rijk die ten grondslag lag aan het eerste Deltarapport na de februari ramp van 1953 thans herzien wordt. In de nieuwe filosofie wordt niet meer uitgegaan van de veiligheid van dijkvakken tegen overstroming maar van de overstromingskans van de kring van waterkeringen die een gebied moeten verdedigen. Daarbij worden meer bezwijkkansen van keringselementen meegenomen. De som van alle bezwijkkansen wordt dan de maat voor de bedreiging. Opnieuw wordt het effect van overstroming in de veiligheidsnorm meegewogen. Risico is kans maal effect.In het recente advies van de Deltacommissie wordt al voorgesteld om in dijkringen de veiligheid zo nodig een factor 10 te vergroten tov de huidige norm. Die aanscherping heeft te maken met bovenstaande ontwikkelingen in de gevaren risico’s. De Commissie wil ten aanzien van de waterdreiging een gelijkwaardig niveau nastreven als voor de andere exogene risico’s die Nederlanders kunnen bedreigen. De kans op grote aantallen slachtoffers (het groepsrisico) voor andere externe veiligheidsrisico’s, zoals chloortransporten of kernenergieopwekking is kleiner dan 1 miljoenste per jaar.

Sinds 1953 is de kans op een overstroming van het meest kwetsbare deel van Nederland waarschijnlijk eerder afgenomen dan toegenomen. Allereerst zijn de Deltawerken uitgevoerd waardoor de kans op een overstroming vanuit zee van 1/100 per jaar naar 1/10.000ste is teruggebracht. De rivierdijken zijn ook allemaal versterkt tot 1/1250 jaar en in het overgangsgebied tussen de rivier en de zee is de kans 1/4000. Ook de dijken rond het IJsselmeer hebben een veiligheid van 1/4000 tegen overstroming vanuit dit binnenwater. Die kansen worden nog steeds kleiner omdat er ruimte wordt gemaakt voor hogere rivierafvoeren en omdat de zwakke schakels in de waterkeringen langs de kust worden versterkt. De kansen kunnen zonder extra maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering in de loop van deze en volgende eeuwen weer stijgen.

De gevolgschade van een overstroming is nu wél groter dan vroeger. Dat geldt zeker voor de economische schade en het potentiële aantal getroffenen: de welvaart en de bevolking zijn sinds 1953 immers sterk gegroeid (de te beschermen waarden zijn daardoor toegenomen met een factor 4, de bevolking zal ongeveer verdubbeld zijn). Dus kansen zijn verminderd maar de gevolgen zijn toegenomen. Dat is ook de reden dat de veiligheidsfilosofie van het Rijk die ten grondslag lag aan het eerste Deltarapport na de februari ramp van 1953 thans herzien wordt. In de nieuwe filosofie wordt niet meer uitgegaan van de veiligheid van dijkvakken tegen overstroming maar van de overstromingskans van de kring van waterkeringen die een gebied moeten verdedigen. Daarbij worden meer bezwijkkansen van keringselementen meegenomen. De som van alle bezwijkkansen wordt dan de maat voor de bedreiging. Opnieuw wordt het effect van overstroming in de veiligheidsnorm meegewogen. Risico is kans maal effect.

In het recente advies van de Deltacommissie wordt al voorgesteld om in dijkringen de veiligheid zo nodig een factor 10 te vergroten tov de huidige norm. Die aanscherping heeft te maken met bovenstaande ontwikkelingen in de gevaren risico’s. De Commissie wil ten aanzien van de waterdreiging een gelijkwaardig niveau nastreven als voor de andere exogene risico’s die Nederlanders kunnen bedreigen.

(zie ook artikel " De veiligheid achter de dijken moet met een factor 10 omhoog)

Zuidplaspolder klimaatbestendig!

"De angst voor nattigheid of overstromingen in de Zuidplaspolder is niet nodig. De aanstaande bewoners van 7000 geplande woningen in deze lage polder kunnen rustig slapen."

Met een maaiveld bijna 7 meter beneden NAP is de Zuidplaspolder, gelegen in de driehoek Rotterdam, Zoetermeer en Gouda, een van de diepste polders van ons land. Het Rijk heeft deze polder aangewezen als nieuwe woningbouwlocatie. Bouwen in een diepe polder terwijl door klimaatverandering de zeespiegel sneller stijgt en de hoogwaters op de rivieren toenemen, kan dat wel? Is bouwen op die locatie wel ‘klimaatbestendig’? Voordat hierop met ja of nee kan worden geantwoord, moeten we ons een op aantal andere vragen richten: de definitie van ‘klimaatbestendig’, verantwoordelijkheden, het beleid, de mogelijkheden van inrichting, en het omgaan met onzekerheden.

Of een woonwijk ‘klimaatbestendig’ is of niet hangt deels af van wat wij acceptabel vinden als overstromingskans of wateroverlast bij zware neerslag: het kunnen blijven voldoen aan de huidige normen voor veiligheid en wateroverlast, of hogere normen voor de dijken, zoals de Deltacommissie voorstelde? Voor een deel hangt het ook af van fysische grenzen van buitenwaterpeilen die nog kunnen worden gekeerd en neerslagoverschotten die nog kunnen worden geborgen en afgevoerd. De keuze voor maatregelen en beschermingsniveaus kan niet los worden gezien van de vraag wie hiervoor verantwoordelijk is. Zo is de handhaving van de overstromingskansen van de primaire waterkeringen een verantwoordelijkheid van het Rijk. Dit betekent dat de Zuidplaspolder klimaatbestendig blijft als het Rijk de huidige overstromingskansen handhaaft of zelfs verkleint als dit omwille van de beheersing van het risico (kans maal gevolg) nodig is: de mogelijke gevolgschade en het mogelijke aantal slachtoffers bij een eventuele overstroming nemen bij bouwen in de polder immers toe. Dit laatste, overstromingskansen afstemmen op risico’s, is beleid dat momenteel wordt overwogen (WV21).

De Zuidplaspolder kan zo worden ingericht dat risico’s klein blijven. Het bouwen kan worden geconcentreerd op de hogere delen en er kunnen bekkens worden aangelegd waar het water van zware regenbuien naar toe kan. Delen van de polder kunnen worden opgehoogd, bijvoorbeeld voor hoogwatervrije vluchtroutes, al dan niet in combinatie met compartimenteringdijken. Bij het inrichten moet rekening worden gehouden met onzekerheden en moet de inrichting kunnen worden aangepast als de gevolgen van klimaatverandering kleiner of groter blijken dan eerder gedacht. In dat opzicht is het slim om in plannen verschillende functies te combineren: maatregelen voor klimaatbestendigheid van het gebied die ook bijdragen aan het landschap, het woongenot of de recreatieve mogelijkheden. 

De verantwoordelijke gemeenten hebben bovenstaande vraagstukken nadrukkelijk in hun plannen meegewogen.

De veiligheid achter de dijken moet met een factor 10 omhoog

"De provincie Noord-Holland concludeert op basis van het gepubliceerde rapport van de Deltacommissie over de bescherming van Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering. De provincie wijst op de aanzienlijke consequenties van de aanbeveling het veiligheidsniveau van alle dijkringen te verhogen met factor 10. 'We gaan ervan uit dat het Rijk de consequenties, waaronder de financiële, eerst goed in kaart brengt'.

De kans dat een Nederlander in zijn dagelijkse leefomgeving overlijdt door een ongeluk in een fabriek, bij een transport van gevaarlijke stoffen of door een neerstortend vliegtuig (het zogenaamde externe veiligheidsrisico) mag niet groter zijn dan een miljoenste per jaar. De Deltacommissie is van mening dat ook de kans op overlijden als gevolg van een overstroming niet hoger mag zijn dan deze kans. De commissie adviseert als volgt: “Na zorgvuldige afweging komt de commissie tot het oordeel om de overstromingskansen voor alle dijkringen ten opzichte van de huidige normen minimaal met een factor 10 te verminderen en dus het veiligheidsniveau met een factor 10 te verhogen.”

 

De commissie baseert dit advies op een geschatte overlijdenskans van ca 1/100.000 per jaar (pp 121-122 van het advies). De commissie berekent dit door de overstromingskans te vermenigvuldigen met de verdrinkingskans. Als gemiddelde overstromingskans gaat de commissie uit van eens in de 1000 jaar. De verdrinkingskans wordt op 1 % gesteld; dat is het gemiddelde van alle overstromingen in de wereld: een veel gebruikte aanname. Met elkaar vermenigvuldigd levert dit de kans van 1/100.000 jaar op. Tien keer te groot.

 

Wat valt er over deze berekening te zeggen? En wat betekent die factor 10 in de praktijk? De Deltacommissie stelt letterlijk: “Deze huidige normen worden hierbij door de commissie geïnterpreteerd als overstromingskansen”. Maar we moeten ons realiseren dat de huidige ‘veiligheidsnormen’ voor de waterkeringen niet zo bedoeld zijn. De normen slaan namelijk op de kans van optreden van maatgevende waterstanden en golven voor de kust en op de rivieren en meren. Tegen dergelijke omstandigheden moeten dijken wettelijk bestand zijn en er mag dan geen overstroming plaatsvinden. De Eerste Deltacommissie (1961) ging bij het opstellen van hun adviesnormen er al van uit dat de werkelijke overstromingskans misschien wel 10 keer zo klein is als de ontwerpnorm voor de waterkeringen.

 

In de praktijk is het heel lastig om de werkelijke overstromingskans te bepalen. Verschillende recente berekeningen wijzen erop dat de kans op het bezwijken van waterkeringen die ‘op orde’ zijn enkele tot vele keren kleiner is dan de kans dat de maatgevende waterstand wordt overschreden. Helaas zijn niet alle dijken op orde en wordt de norm (nog) niet overal gehaald. De komende jaren wordt op verschillende plaatsen langs de kust, de meren en de rivieren hard gewerkt aan de versterking van de waterkeringen.

Ten tweede moet worden bedacht dat het de Commissie Veerman uiteindelijk gaat om een even groot veiligheidsniveau voor de bewoners achter de dijken als voor andere risico’s. Maar bij een ontploffing kun je niet evacueren en bij een dreigende overstroming vaak nog wel, zeker als we die enkele dagen van te voren kunnen zien aankomen, zoals een extreem hoogwater in het rivierengebied mogelijk is. Als inwoners tijdig kunnen worden geëvacueerd, zoals in 1995 is gebeurd, neemt de overlijdenskans namelijk ook af en neemt het veiligheidsniveau dus toe.

Als we de ‘factor 10’ van de commissie Veerman zo interpreteren, dan gaat het dus niet alleen over meer investeren in waterkeringen. Dan komen ook andere, misschien goedkopere en minder ingrijpende, maatregelen in beeld.

 Gevaren in preventiebenadering Deltacommissie

"De Deltacommissie legt de nadruk op preventie. Anderen stellen dat in die nadruk op preventie ook gevaren schuilen. Zij pleiten voor een breder debat dan alleen over het voorkómen van overstromingen."

Klimaatverandering heeft gevolgen voor de Nederlandse waterhuishouding. De Deltacommissie had als taak te onderzoeken welk beleid en welke maatregelen in Nederland nodig zijn om ons land ook de komende eeuwen leefbaar en veilig te houden. In zijn advies richt de commissie zich sterk op preventie.

Een belangrijk pluspunt van het advies van de commissie is dat het beter beheersen van het slachtofferrisico als een expliciet doel is geformuleerd. Daarbij gaat het zowel om het bieden van een basisveiligheid aan iedere burger in Nederland als om het zo veel mogelijk voorkomen van grote groepen slachtoffers. Preventieve maatregelen voor het voorkómen van overstromingen (zoals dijken) zijn niet de enige optie om dit te bereiken: een betere beheersing van het slachtofferrisico kan ook worden bereikt met aanpassingen van de ruimtelijke inrichting van het land of versterking van de rampenbeheersing. Dat zal overigens steeds een kwestie van regionaal maatwerk zijn.

De commissie heeft zich inderdaad sterk gericht op preventie. Met het uitbrengen van de Ontwerp Beleidsnota Waterveiligheid, die hoort bij het Ontwerp Nationaal Waterplan, hebben de beleidsmakers de oriëntatie echter al verbreed. In deze nota is het concept van de meerlaagsveiligheid omarmd: een benadering waarbij overstromingsrisico’s worden beheerst door een combinatie van preventieve maatregelen, een meer duurzame ruimtelijke ontwikkeling van het land en een goed georganiseerde rampenbeheersing. Adviseurs hoeven daarom niet bezorgd te zijn voor een te eenzijdige focus op preventie. Overigens laat de Ontwerp Beleidsnota Waterveiligheid er geen twijfel over bestaan dat preventie veruit de belangrijkste laag is en blijft voor het beschermen van Nederland tegen (de gevolgen van) overstromingen.

Pleidooi voor superbrede dijken

Megadijken van wel 3 voetbalvelden breed moeten Nederland op korte termijn beschermen tegen het oprukkende water. Op een 300 à 400 meter brede dijk kunnen functies als wonen, werken, natuur en recreatie worden gecombineerd. Superdijken zijn zo groot en massief dat ze nooit kunnen wegspoelen bij een stormvloed of een excessief hoge rivierstand.

Een deltadijk is volgens de Deltacommissie een dijk waarvan de hoogte, breedte en/of interne constructie zo sterk zijn dat een plotselinge doorbraak en daarmee een onbeheersbare overstroming zo goed als uitgesloten zijn. In theorie kan de kans op een dijkdoorbraak nooit nul worden, maar in de praktijk wordt deze kans met een superdijk (of deltadijk) factoren kleiner dan de norm veiligheid . De kans is dan zo klein dat bij de ruimtelijke inrichting van een gebied en bij de voorbereiding op rampen met een doorbraak op het traject van de superdijk geen rekening hoeft te worden gehouden.

Volgens de berichtgeving in de media zou een superdijk honderden meters breed moeten worden. Dat is onjuist: voor de veiligheid zal een breedte van enkele tientallen meters veelal volstaan. Toch kan het aantrekkelijk zijn om dijken honderden meters breed te maken. De dijk wordt daardoor geschikt voor meer dan alleen het keren van water. Zo kunnen er woningen op worden gebouwd met zicht op het water, en kan de dijk worden gebruikt als vluchtplaats als elders een zwakkere dijk bezwijkt. In Japan, waar dijken heel breed worden aangelegd zodat ze bestendig zijn tegen aardbevingen, worden deze dijken gebruikt voor stedelijke ontwikkeling. In ons land geldt deze reden voor de aanleg van zeer brede dijken niet; hier is een dijk van enkele tientallen meters al doorbraakvrij. Maar natuurlijk kan het in een gebiedsontwikkeling aantrekkelijk zijn bredere dijklichamen te bouwen geschikt voor meer functies dan waterkeren.

Dreiging van hoog water komt van de grote rivieren en in mindere mate van de zeespiegelstijging

Tweederde van het Nederlands grondgebied wordt door dijken beschermd. Een  deel van dit gebied wordt beschermd tegen de zee, een ander deel tegen de grote meren of de rivieren. Als in Nederland een overstroming zou plaatsvinden, zou slechts een deel van het bedijkte gebied onder water lopen. Het beschermingsniveau tegen overstromingen is niet overal gelijk in Nederland. Waar de gevolgschade áls een overstroming zou optreden het grootst is (bij de kust), is ook het beschermingsniveau het hoogst. De kans op een overstroming met water uit de rivieren is groter dan de kans op een overstroming vanuit zee (en het IJsselmeergebied). Als het gaat om de kans dat het misgaat, is de overstromingsdreiging vanuit de rivieren dus groter dan die vanuit de zee en de meren.

De verwachte hogere waterstanden langs de kust en op de rivieren in de toekomst betekenen dat te zijner tijd maatregelen moeten worden genomen om onze bescherming tegen het water op peil te houden. De toename van de IJsselafvoer en de stijging van de zeespiegel betekenen ook dat in het IJsselmeergebied maatregelen nodig zijn: het IJsselmeer moet immers meer rivierwater kunnen bergen terwijl dit, door de hogere zeestand, minder snel op zee kan worden geloosd.

De maatregelen die naar verwachting op termijn voor de meren en de riviertakken (inclusief het overgangsgebied tussen de rivieren en de zee) nodig zijn, beslaan een veel grotere lengte aan waterkeringen (dijken) dan langs de kust: de duinen blijven immers over het algemeen hoog en breed genoeg om de verwachte zeespiegelstijging in 2100 het hoofd te kunnen bieden dankzij een combinatie van zandsuppleties en zandaanvoer door natuurlijke processen.

Het bedwingen van de Yangtze-rivier blijft met het oog op klimaatverandering een enorme taak

 De gevolgen van klimaatverandering zullen in veel gebieden verspreid over de  wereld effect hebben op de dreiging van overstromingen. Vooral Azië krijgt hier in hoge mate mee te maken omdat daar veel grote steden in laaggelegen deltagebieden  voorkomen. Naast een hogere zeestand zouden ook hogere afvoeren op de  rivieren voor problemen kunnen zorgen. Een rivier als, bijvoorbeeld, de Yangtze  heeft nu al te maken met hoge afvoeren en (dreigende) overstromingen. Als voor de Yangtze hetzelfde toekomstbeeld geldt als voor de Rijn, te weten een toename van de omvang en frequentie van hoogwaters, dan wordt de beheersing van het hoogwater op de Yangtze een enorme taak.

We moeten echter uitkijken dat we niet alle overstromingen wijten aan klimaatverandering.  Ook als klimaatverandering wel effectief zou worden aangepakt,  zullen er nog overstromingen plaatsvinden.

Het overstromingsprobleem wordt in de toekomst alleen maar groter

Door de gevolgen van de klimaatverandering zullen kust- en deltagebieden wereldwijd vaker door overstromingen worden getroffen. In die gebieden woont een groot deel van de wereldbevolking en in de loop van deze eeuw zullen nog veel meer mensen naar deze gebieden trekken. De kans op overstromingen en de  gevolgen van overstromingen zullen daardoor wereldwijd toenemen: het overstromingsprobleem  wordt in de toekomst alleen maar groter. De gevolgen van klimaatverandering zullen echter niet overal hetzelfde zijn: niet alle kust- en  deltagebieden zijn even kwetsbaar.

De dijken zijn ontworpen en gebouwd op basis van dreiging uit het verleden 

Onze waterkeringen moeten voldoen aan veiligheidsnormen die in de wet zijn vastgelegd. Deze normen zijn kansen op bepaalde waterstanden die de waterkeringen veilig moeten kunnen keren. Zo moeten de rivierdijken hoogwaterstanden kunnen keren die met een kans van 8% in een gemiddeld mensenleven kunnen  voorkomen. Die kans van 8% in een mensenleven komt neer op een kans van  1/1250 per jaar: de veiligheidsnorm voor de rivierdijken is dus 1/1250 per jaar. De rivierdijken moeten zo hoog en sterk gebouwd zijn dat zij de waterstanden die bij deze norm horen, de zogenaamde maatgevende hoogwaterstanden, veilig kunnen keren. Deze waterstanden zijn bepaald op basis van statistische extrapolatie van historische metingen van waterstanden en rivierafvoeren. Dit betekent  dat onze dijken zijn ontworpen en gebouwd op basis van de dreiging uit het  verleden.

Een deel van de waterkeringen voldoet nu niet aan de wettelijke normen. Waar dat het geval is, nemen de beheerders (de waterschappen en het Rijk) maatregelen zodat de dijken wel aan de normen gaan voldoen.

Nederland is niet voorbereid op een hogere zeespiegel en wisselvalliger weer

 Bij de bescherming tegen het water is Nederland voorbereid op stormvloeden, extreme hoogwaters en zware buien die passen bij het huidige klimaat. Wel wordt  bij de aanleg en versterking van zeedijken alvast rekening gehouden met de verwachte  zeespiegelstijging in de komende 50-100 jaar. Ook worden de rivierdijken zo robuust aangelegd dat ze  ook bij maatgevende hoogwaterstanden nog wat reservehoogte en –sterkte over  Veiligheid nu en in de toekomst hebben.

Nederland is echter nu nog niet voorbereid op een hogere zeespiegel, extreem hogere rivierafvoeren en wisselvalliger weer zoals die op de langere termijn worden verwacht. Dat hoeft ook nog niet want het duurt nog erg lang  voor de effecten van klimaatverandering dat noodzakelijk maken. Er wordt al wel  nagedacht over aanpassingen van onze hoogwaterbescherming aan de verwachte vergaande gevolgen van de klimaatverandering. Zo hebben we in ieder geval de  plannen klaarliggen om snel maatregelen te kunnen nemen en blijft Nederland  goed beschermd tegen het water.

Polderdijken zijn niet bestand tegen de klimaatverandering

Bij de bescherming tegen het water is Nederland voorbereid op stormvloeden,  extreme hoogwaters en zware buien die passen bij het huidige klimaat. Wel wordt  bij de aanleg en versterking van zeedijken alvast rekening gehouden met de verwachte zeespiegelstijging in de komende 50-100 jaar. Ook worden de rivierdijken zo robuust aangelegd dat ze  ook bij maatgevende hoogwaterstanden nog wat reservehoogte en –sterkte over Veiligheid nu en in de toekomst hebben.

Nederland is echter nu nog niet voorbereid op een hogere zeespiegel,  extreem hogere rivierafvoeren en wisselvalliger weer zoals die op de langere termijn worden verwacht. Dat hoeft ook nog niet want het duurt nog erg lang  voor de effecten van klimaatverandering dat noodzakelijk maken. Er wordt al wel  nagedacht over aanpassingen van onze hoogwaterbescherming aan de verwachte  vergaande gevolgen van de klimaatverandering. Zo hebben we in ieder geval de  plannen klaarliggen om snel maatregelen te kunnen nemen en blijft Nederland  goed beschermd tegen het water.

Als we niets doen zou de helft van Nederland onder water lopen

De gevolgen van klimaatverandering zullen op termijn tot hogere maatgevende waterstanden leiden. Maar op welk moment en in welke mate de maatgevende waterstanden, en dus de dijken, moeten worden verhoogd, is heel moeilijk vast te  stellen. Op basis van metingen van de rivierafvoeren en de waterstanden op zee  zullen we voorlopig geen zicht krijgen in veranderingen van de afvoeren en waterstanden die met een kans van 1/1250 of 1/10.000 per jaar kunnen optreden. We zullen hiervoor de klimaatmodellen nodig hebben.

Ook als alle waterkeringen op orde zijn, moet Laag-Nederland iedere dag met  veel pompen droog worden gehouden. Zonder pompen zou het stelsel van dijken, sluizen en gemalen uiteindelijk vervallen: als we niets doen33 zou meer dan de helft van Nederland onder water lopen: het potentieel overstroombare gebied  beslaat ongeveer tweederde van ons land.

Concrete maatregelen zijn noodzakelijk om overstromingen te voorkomen

De kans op een overstroming is vanwege het hoge beschermingsniveau van onze waterkeringen erg klein, maar niet nul. En dus zal vroeg of laat een overstroming plaatsvinden. Voor het laatst hebben we een overstroming meegemaakt  in 1995, toen een deel van de Maas buiten zijn oevers trad. Met aanvullende beschermingsmaatregelen kan de kans op een overstroming nog verder worden  verkleind maar kunnen overstromingen niet helemaal worden voorkomen.

Ons veiligheidsbeleid is zodanig georganiseerd dat wanneer blijkt dat klimaatverandering leidt tot een hogere zeestand en meer extreme rivierafvoeren, de waterstanden waar de waterkeringen op zijn ontworpen naar boven worden bijgesteld. De versterking van de waterkeringen op basis van deze verhoogde normwaterstanden levert dan weer dezelfde overstromingskans van vóór de klimaatverandering op. Hierdoor zullen gebieden in Nederland die gevoelig zijn voor overstromingen door klimaatverandering niet vaker overstromen.

Gebieden die gevoelig zijn voor overstromingen, zullen nog vaker overstromen

De kans op een overstroming is vanwege het hoge beschermingsniveau van onze waterkeringen erg klein, maar niet nul. En dus zal vroeg of laat een overstroming plaatsvinden. Voor het laatst hebben we een overstroming meegemaakt  in 1995, toen een deel van de Maas buiten zijn oevers trad. Met aanvullende beschermingsmaatregelen kan de kans op een overstroming nog verder worden verkleind maar kunnen overstromingen niet helemaal worden voorkomen.

Ons veiligheidsbeleid is zodanig georganiseerd dat wanneer blijkt dat klimaatverandering  leidt tot een hogere zeestand en meer extreme rivierafvoeren, de waterstanden waar de waterkeringen op zijn ontworpen naar boven worden bijgesteld. De versterking van de waterkeringen op basis van deze verhoogde normwaterstanden levert dan weer dezelfde overstromingskans van vóór de  klimaatverandering op. Hierdoor zullen gebieden in Nederland die gevoelig zijn voor overstromingen door klimaatverandering niet vaker overstromen.

De kwetsbaarheid van gebieden voor overstromingen moet meer aandacht krijgen

Als het tóch misgaat, kunnen de gevolgen zeer groot zijn. Sommige polders liggen  zo diep dat zij bij een overstroming tot een diepte van meerdere meters zouden kunnen vollopen. De kwetsbaarheid37 van Laag-Nederland voor overstromingen krijgt meer aandacht in het project Waterveiligheid 21e eeuw (WV21). Dit project richt zich op de mogelijkheden voor het verkleinen van overstromingsrisico’s (risico is het product van de kans op een overstroming en de gevolgschade van die overstroming). Onderzocht wordt of het verstandig is door te gaan met het  beleid van de afgelopen decennia, gericht op het beperken van overstromingskansen,  of dat ook aan het verkleinen van de mogelijke gevolgen van overstromingen moet worden gewerkt.

Zeespiegelstijging door klimaatverandering vraagt om kustverdediging

Zeespiegelstijging door klimaatverandering vraagt om kustverdediging. Sinds  1990 wordt bij het beheren van onze kust al rekening gehouden met de toekomstige zeespiegelstijging. Dat gebeurt op drie manieren:    

  • door in te spelen op de waargenomen stijging

    

  • door uit te gaan van een zeespiegelstijging van 60 cm/eeuw voor investeringen  met een geplande levensduur van 50-100 jaar

    

  • door uit te gaan van de bovengrens van de KNMI-verwachting van 85 cm/eeuw


voor voorzorgsmaatregelen voor de komende 200 jaar.

Smelt het ijs op de noordpool nog sneller dan verwacht?

"Op de noordpool heeft de klimaatverandering voor een opvallend grote afname van het ijs gezorgd, aldus wetenschappers."

Satellietbeelden laten zien dat de ijsbedekking in het noordpoolgebied afneemt, zowel in de winter als in de zomer. Het smelten van zeeijs heeft geen gevolgen voor de zeespiegel. Het heeft wel gevolgen voor het klimaat in het noordpoolgebied en mogelijk ver daar buiten, doordat de albedo over een zeer groot oppervlak van de aarde drastisch afneemt bij smelten van al het actische ijs. Dit zal leiden tot verdere stijging van de temperatuur en veranderingen in de stromingspatronen in de atmosfeer en de oceanen.

Sinds 1979 wordt de bedekking van het zeeijs in het noordpoolgebied met satellieten gemeten. Deze metingen laten een gestage afname in de ijsbedekking zien in de afgelopen 30 jaar. Die afname is het grootst voor de ijsbedekking aan het eind van de zomer: ongeveer 15 tot 34 % . De afname in de winter is 2 - 3% over de afgelopen 25 jaar. Doordat het smelten jaarlijks groter is dan het weer bevriezen en aanvriezen is de zeeijsdikte de afgelopen periode met ongeveer 40% afgenomen. In het voorjaar begint het ijs ongeveer twee weken eerder te smelten.

In de zomer van 2007 bereikte de zeeijsbedekking in het noordpoolgebied een nieuw laagterecord sinds het begin van de satellietmetingen. In de zomer van 2008 bleef de oppervlakte met zeeijs 9% boven die van 2007. Afgelopen zomer was de verbreiding van het zeeijs wat omvang betreft vergelijkbaar met vorig jaar. Toch was de laatste twee jaren de oppervlakte met zeeijs 34% minder dan het gemiddelde over de periode 1979 - 2000. Het volume zeeijs was in de zomers van 2008 en 2009 wel record laag.

Het tempo van smelten van het poolijs is veel groter dan de klimaatmodellen tot nu toe hebben voorspeld. Verwacht wordt nu dat halverwege deze eeuw het poolijs in de zomer nagenoeg verdwenen is, bij een gelijke trend in het smelt tempo als de afgelopen 30 jaar.

Opwarming Nederland sneller dan wereldgemiddeld

"Versnelde opwarming Nederland niet in modellen KNMI. Nederland (en grote delen van Europa) warmt twee keer zo snel op als de rest van de wereld gemiddeld doet."

Tot nu toe werd verwacht dat de opwarming in Nederland (en omstreken) ongeveer even snel zou gaan als de wereldgemiddelde stijging van de temperatuur. Tussen 1950 en nu blijkt de opwarming in Nederland echter twee keer zo groot te zijn geweest als het wereldgemiddelde. De temperaturen in de herfst van 2006 en de winter en het voorjaar van 2007 zijn, zelfs als we rekening houden met de snellere opwarming van Nederland, uitzonderlijk grote afwijkingen boven de trend.

Klimaatmodellen kunnen de waargenomen stijging van de wereldgemiddelde temperatuur en het grootschalige patroon van die opwarming goed simuleren: snellere opwarming boven grote landmassa's, in droge gebieden en daar waar sneeuw en ijs verdwijnen. We kunnen er op vertrouwen dat de voornaamste grootschalige processen die de temperatuurstijging veroorzaken, goed in de modellen zijn beschreven. De verschillen tussen waarneming en voorspelling zitten in de (ruimtelijke en temporele) details.

Zo is de opwarming van West-Europa, een klein gebied op de wereldkaart, in werkelijkheid veel sneller verlopen dan klimaatmodellen aangeven. In een groot gedeelte van Europa zijn deze verschillen geen toevallige fluctuaties. De belangrijkste reden voor de waargenomen verschillen voor Nederland zijn meer westenwind in de late winter en het vroege voorjaar, en meer zonnestraling in het voorjaar en de zomer.

De verschuiving in de overheersende windrichting hangt samen met een toename van de luchtdruk in het Middellandse Zeegebied in de maanden januari tot maart. Dit verklaart het overgrote deel van de snellere opwarming in die tijd van het jaar en de afname van het aantal strenge winters in de afgelopen jaren. De toename van de zonnestraling hangt samen met de verbetering van de luchtkwaliteit en de afname van de concentratie stofdeeltjes in de lucht. Met het weer schoner worden van de lucht in de afgelopen twintig jaar kan meer zonnestraling de grond bereiken. Mede hierdoor zijn de lente- en zomertemperaturen tot midden jaren 1980 nauwelijks toegenomen, en daarna dubbel zo snel gestegen.

Naast de schonere lucht speelt ook de afname van de bewolking een rol bij de waargenomen extra opwarming in het voorjaar en de zomer. Vooral dit effect zal op de langere termijn van belang zijn voor de toename van de hoeveelheid zonnestraling aan de grond, vooral als bij zuidelijke wind droge en warme lucht uit het snel opwarmende Zuid-Europa wordt aangevoerd.

De geconstateerde en aanhoudende opwarming leidt in de meeste recente jaren niet tot extreem hoge maximum temperaturen in de zomermaanden en langdurige hittegolven. Het vaker en vroeger optreden van minder koude nachten en meer dagen met iets bovennormale temperaturen bij meer zuidwesten wind dragen veel bij aan de hogere jaartemperaturen in onze streken.

Indonesisch veen heeft ‘alarmerende invloed’ op broeikaseffect

"Uit metingen blijkt dat Indonesisch veen op Sumatra en Kalimantan zorgt voor een uitstoot van 2 miljard kilo CO2. Daarmee blijkt de uitstoot van broeikasgas door Indonesië drie keer zo groot als die van heel Duitsland. Door de nieuwe cijfers komt Indonesië op de derde plaats van 'meest-broeikasgas' landen, direct achter de Verenigde Staten (1) en China (2). Tot nu toe stond Indonesië op deze lijst op de 21ste plaats."

In de afgelopen jaren is een groot deel van het Indonesische tropisch regenwoud gekapt. Vervolgens zijn grote gebieden beplant met acaciabomen voor de productie van papier en palmoliebomen voor biobrandstof. Daarbij is de veenrijke ondergrond ontwaterd: er zijn kanalen gegraven die zorgen voor een snellere afvoer van het water. Het resultaat is dat de grondwaterstand daalt (het veen loopt als het ware leeg) waardoor het veen in de bodem aan het zuurstof in de lucht wordt blootgesteld en oxideert. Ook komen door deze ontwatering meer branden van het uitgedroogde veen voor. Bij deze oxidatie en veenbranden komt het broeikasgas CO2 vrij. 

Er zijn schattingen gemaakt van deze uitstoot nu en in de toekomst door gegevens over de oppervlakte en diepte van het veen te combineren met gegevens over het landgebruik, het waterbeheer, de snelheid waarmee het veen oxideert en het aantal veenbranden. Hieruit blijkt dat de uitstoot van broeikasgassen door de ontwatering en afbraak van het veen in Indonesië tot 7% kan bijdragen aan de totale wereldwijde uitstoot van broeikasgassen door het verbruik van fossiele brandstoffen. Uit de schattingen blijkt ook dat de uitstoot door drainage van veengebieden in de loop van deze eeuw verder kan toenemen als het beheer van deze gebieden niet verandert. Met waterbeheerplannen, die nu worden gemaakt, kan de uitstoot worden verminderd en kunnen het veen en het tropisch bos, met onder meer het habitat van de oerang oetan, worden beschermd.

Aanpassingen in het waterbeheer (adaptatie) zijn dus niet alleen bedoeld om effecten van klimaatverandering op te vangen maar kunnen ook bijdragen aan CO2 reductie (mitigatie).

‘Tulpeiland is slechts een metafoor’

"Er is veel scepsis over het nut en de haalbaarheid van proefeilanden voor onze kust waar door de waterbouwsector innovatief geëxperimenteerd kan worden. Deskundigen zien op de plaats van de tulp een moddervlakte ontstaan."

In november 2007 werd door de Tweede Kamer de motie Atsma aangenomen: een verzoek aan de regering om de mogelijkheden en onmogelijkheden van landaanwinning in de Noordzee in beeld te brengen. Een kunstmatig (schier)eiland, een polder of een zeewaartse verbreding van de kustzone zou een antwoord kunnen zijn op de toenemende ruimtebehoefte in vooral de Randstad. Naar aanleiding van deze motie toonden kranten een satellietbeeld van de Noordzee met een eiland in de vorm van een tulp. Later kreeg het eiland in de pers de  vorm van een hennepplant, met een knipoog naar een ander Hollands handelsmerk.

Geïnspireerd door de ervaringen met de aanleg van kunstmatige eilanden voor de kust van Dubai, kwam Boskalis met het idee om een reeks eilanden voor de Hollandse, Zeeuwse en Belgische kust op te spuiten. Hiermee zou meer ruimte kunnen worden geschapen en zou de kustveiligheid kunnen worden vergroot. Onze baggersector heeft de benodigde schepen en de Noordzee heeft genoeg zand. Eilanden in zee zijn technisch haalbaar en ecologisch inpasbaar, mits goed vorm gegeven.

Aan de uitvoering kleven echter ook nadelen. Het is duur, onder meer vanwege de tunnels of bruggen voor de verbinding van de eilanden met het vaste land. Eventueel zouden eilanden voor specifieke functies kunnen worden gebouwd, zoals een energie-eiland (globaal 3 miljard euro) of een vliegveld in zee (20 à 90 miljard euro). Voor de landbouw, bedrijfsterreinen of grootschalige woningbouw is landaanwinning op de Noordzee niet zinvol. Het belang van eilanden in zee moet bovendien worden afgewogen tegen andere functies op zee, zoals scheepvaart en natuur (denk aan de Vogel- en Habitatrichtlijn). De kustveiligheid wordt door kunstmatige eilanden niet groter, mogelijk zelfs kleiner. Het concept Nationaal Water Plan neemt daarom ook afstand van het idee van nieuwe eilanden voor de kust.

Landaanwinning op zee is één van de oplossingen voor het tekort aan ruimte in Nederland. Andere oplossingen zijn intensief ruimtegebruik in bestaande stedelijke gebieden, het combineren van meerdere functies op dezelfde ruimte of het verplaatsen van activiteiten naar minder dicht bevolkte regio’s. De politiek lijkt vooralsnog niet voor landaanwinning in de Noordzee te kiezen. Het tulpeneiland is slechts een metafoor voor Nederland ondernemend waterland. De aandacht zal de komende jaren zijn gericht op innovaties die door deskundigen wél zinvol worden geacht, zoals de versterking van de Afsluitdijk of de Zandmotor bij Delfland.

De mens is de oorzaak van het broeikaseffect

Onze planeet is omringd door een mantel van broeikasgassen en deze mantel  
houdt warmte vast. Zonder dit broeikaseffect zou de gemiddelde temperatuur op    
aarde 19 graden onder nul zijn en niet de plus 14 zoals wij die gemiddeld op aarde    
kennen. Gemakshalve wordt, ook in deze brochure, geschreven over het broeikaseffect    
als eigenlijk de versterking van dit effect wordt bedoeld: een toename    
dus ten opzichte van het gemiddelde van plus 14. De mens is de oorzaak van dit    
versterkte broeikaseffect1, nu en zeer waarschijnlijk in de komende eeuwen.

Het broeikaseffect komt door de uitstoot van CO2

De versterking van het broeikaseffect is volgens het overgrote deel van de klimaatwetenschappers  met name het gevolg van de uitstoot van CO2. Maar ook andere gassen, waaronder vooral methaan, dragen aan het broeikaseffect bij.  Uit onderzoek is gebleken dat de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer voornamelijk  toeneemt door de verbranding van fossiele brandstoffen. Deze toename begon  rond 1800, bij het begin van de industriële revolutie, maar is vooral de laatste tientallen jaren fors.

Het broeikaseffect is het gevolg van het verbranden van fossiele brandstoffen

De versterking van het broeikaseffect is volgens het overgrote deel van de klimaatwetenschappers  met name het gevolg van de uitstoot van CO2   Maar ook  andere gassen, waaronder vooral methaan, dragen aan het broeikaseffect bij. Uit onderzoek is gebleken dat de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer voornamelijk  toeneemt door de verbranding van fossiele brandstoffen. Deze toename begon  rond 1800, bij het begin van de industriële revolutie, maar is vooral de laatste  tientallen jaren fors.

Nederland kan in zijn eentje niets doen aan smeltende ijskappen

Het broeikaseffect is een probleem op wereldschaal dat met wereldwijde maatregelen moet worden aangepakt. Nederland kan in zijn eentje niets doen aan smeltende ijskappen maar kan wel zijn steentje bijdragen in samenwerking met andere landen. Ook kan Nederland zichzelf voorbereiden op de gevolgen ervan.

De aarde warmt op door menselijk handelen

In "De Staat van het Klimaat 2007" geven de Nederlandse instituten voor klimaatonderzoek,  
verenigd in het Platform Communication on Climate Change (PCCC),    
aan hoe het klimaat van de aarde, en Nederland in het bijzonder, er nu voor staat    
in relatie tot de klimaatverandering. Sinds 1900 is de aarde ruim 0,7 °C warmer    
geworden, Nederland zelfs 1,2 °C. Uit verschillende studies blijkt dat sinds 1950    
het grootste deel van de waargenomen opwarming van de aarde is veroorzaakt    
door de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van menselijk handelen5.    
In 2100 wordt een mondiale temperatuurstijging verwacht van 1,1 tot 6,4 °C ten    
opzichte van 1990. In 2050 zal hiervan in Nederland waarschijnlijk al minstens    
0,9 °C stijging zijn bereikt, en maximaal zelfs 2,3 (winter) tot 2,8 °C (zomer). Ook    
na 2100 zal het klimaat nog reageren op de toegenomen hoeveelheid broeikasgassen    
in de atmosfeer, zelfs als we de uitstoot van deze gassen nu fors zouden    
reduceren. Het klimaatsysteem reageert traag op veranderingen in de uitstoot    
van deze gassen en effecten uit het verleden werken door in de verre toekomst.

Warmterecords het gevolg van klimaatverandering

 Het weer is de temperatuur, neerslag, windsnelheid etc. op een bepaald moment.  Het klimaat is het gemiddelde van deze karakteristieken over een langjarige periode.  Het klimaat van nu en dat van, bijvoorbeeld, 2100 kunnen tot vergelijkbare  extremen in het weer leiden: maar de kans op die extremen wordt door klimaatverandering groter.

In de afgelopen jaren heeft het weer in Nederland een groot aantal warmterecords gebroken. Op zich passen deze records bij de variabiliteit van het weer.

De aarde warmt op van nu maar het grote aantal records op rij lijkt te wijzen op een veranderend  klimaat, met voor Nederland warme zomers en zachte winters en een grotere kans op extreem zware buien.

In ons land wordt de temperatuur sinds 1706 geregistreerd. Sinds dat jaar waren  juli en september 2006 de warmste juli- en septembermaand, en was de winter van 2006-2007 de warmste winter. Ook de herfst van 2006 staat met 13,6 °C op  een eerste plaats, zelfs 1,6 °C boven het vorige herfstrecord van 2005. De tien warmste jaren van deze planeet sinds 1861 traden op na 1980, waarvan zeven  zelfs na 1990.

Nederland staat warme zomers en zachte winters met grotere kans op extreme neerslag te wachten

 Het weer is de temperatuur, neerslag, windsnelheid etc. op een bepaald moment.  Het klimaat is het gemiddelde van deze karakteristieken over een langjarige periode. Het klimaat van nu en dat van, bijvoorbeeld, 2100 kunnen tot vergelijkbare extremen in het weer leiden: maar de kans op die extremen wordt door klimaatverandering groter.

In de afgelopen jaren heeft het weer in Nederland een groot aantal warmterecords gebroken. Op zich passen deze records bij de variabiliteit van het weer.

De aarde warmt op van nu maar het grote aantal records op rij lijkt te wijzen op een veranderend klimaat, met voor Nederland warme zomers en zachte winters en een grotere kans op extreem zware buien.

In ons land wordt de temperatuur sinds 1706 geregistreerd. Sinds dat jaar waren  juli en september 2006 de warmste juli- en septembermaand, en was de winter  van 2006-2007 de warmste winter. Ook de herfst van 2006 staat met 13,6 °C op   een eerste plaats, zelfs 1,6 °C boven het vorige herfstrecord van 2005. De tien warmste jaren van deze planeet sinds 1861 traden op na 1980, waarvan zeven zelfs na 1990.

Door klimaatverandering gaat het steeds vaker regenen

Voor Europa zijn de belangrijkste effecten van de temperatuurstijging waarschijnlijk  meer neerslag in Midden- en Noord-Europa in de winter en minder neerslag in Zuid-Europa in de zomer. In de winter zal waarschijnlijk meer neerslag in de vorm van regen vallen en minder in de vorm van sneeuw. In de winter gaat het  in Nederland door klimaatverandering steeds vaker regenen, in de zomer juist  minder maar wel in de vorm van zwaardere buien.

Klimaatveranderingen veroorzaken extremen in weer en overstromingen

 Door de klimaatverandering zal de kans op extremen in het weer, met droogte en overstromingen tot gevolg, wereldwijd vrijwel zeker toenemen. Klimaatverandering  betekent voor Nederland vaker extreme regenval of juist droogte en hitte, maar ook vaker hoge en lage waterstanden in de rivieren.    
Dankzij ons beleid voor de bescherming tegen overstromingen zal de kans op overstromingen echter niet toenemen (zie "Veiligheid nu en in de  toekomst").

Klimaatverandering betekent voor Nederland zware stormen, extreme regenval, droge   hitte en hoge waterstanden in de rivieren

Door de klimaatverandering zal de kans op extremen in het weer, met droogte en overstromingen tot gevolg, wereldwijd vrijwel zeker toenemen. Klimaatverandering betekent voor Nederland vaker extreme regenval of juist droogte en hitte, maar ook vaker hoge en lage waterstanden in de rivieren. Dankzij ons beleid voor de bescherming tegen overstromingen zal de kans op overstromingen echter niet toenemen ("Veiligheid nu en in de toekomst").

De klimaatverandering is de oorzaak van de grote hoeveelheid neerslag van 2006

 In Nederland zal in de zomer dus minder neerslag vallen maar als het regent zal dit vaker in de vorm van zeer zware buien zijn. Niet alleen de frequentie van zware buien maar ook de intensiteit van die buien zal toenemen.

Augustus 2006 heeft ons een voorproefje gegeven van wat ons te wachten staat: deze maand was gemiddeld over Nederland de natste oogstmaand in 100 jaar. Deze extreem natte maand hoeft echter niets te maken te hebben met klimaatverandering: ons weer is zo variabel dat deze extremen ook zonder klimaatverandering kunnen optreden. De kans op deze extremen neemt door klimaatverandering wel toe. Als we onvoldoende maatregelen nemen, zal dit vooral in de bewoonde gebieden steeds vaker tot wateroverlast leiden.

Stormen zullen in de toekomst vaker voorkomen

 Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal  hebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis van de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de toekomst vaker zullen voorkomen, en dat de stormschade in de toekomst  sterk zal toenemen.

Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie uit de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiële energie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is van het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging van het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.

Stormschade zal in de toekomst sterk toenemen

 Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal  hebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis an de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de oekomst vaker zullen voorkomen, en dat de tormschade in de toekomst terk zal toenemen.

Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot  zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie it de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiëleenergie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is an het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging an het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.

Er is een toename van het aantal orkanen, en deze worden krachtiger door temperatuurstijging   van het water

Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal ebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis  van de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de toekomst vaker zullen voorkomen, en dat de stormschade in de toekomst   sterk zal toenemen.

Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie  
uit de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiële nergie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is  van het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging an het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.

Door klimaatverandering smelten de ijskappen

Door klimaatverandering smelten de ijskappen van Groenland en Antarctica.  Op Groenland ligt voldoende ijs om de zeespiegel wereldwijd gemiddeld met bijna zeven meter te doen stijgen. West-Antarctica zou daar nog eens zes meter aan toe kunnen voegen. Het ijs dat dan nog op Antarctica ligt, staat weliswaar gelijk aan tientallen meters zeespiegelstijging maar dat ijs zal niet smelten, tenzij het klimaat vele eeuwen na nu veel warmer wordt dan waar wetenschappers nu van uit gaan.

Gletsjers zullen niet lang meer blijven bestaan

Voor de zeespiegelstijging is vooral het gedrag van de landijsmassa’s van  Groenland en Antarctica van belang. De potentiële zeespiegelstijging van meerdere  meters in de komende eeuwen ligt daar opgeslagen. De dreiging van de smeltende gletsjers valt eigenlijk wel mee. Volgens schattingen kunnen de gletsjers en ijskappen die buiten Groenland en Antarctica liggen maximaal 15 tot 24 cm zeespiegelstijging opleveren. Dan is dit ijs op. Dit zou binnen een paar generaties al het geval kunnen zijn. Veel gletsjers zullen niet lang meer blijven bestaan.

De ontwikkeling van het toenemend smelten van gletsjers sluit aan bij de temperatuurstijging over de afgelopen 150 jaar

 De ontwikkeling van het toenemend smelten van gletsjers sluit aan bij de  
temperatuurstijging over de afgelopen 150 jaar. De betekenis van het smelten    
van de gletsjers is meer het verdwijnen van de gletsjers zelf dan het effect op de    
zeespiegelstijging.

Als het ijs op de noordpool smelt, stijgt de zeespiegel 0 meter

 Het smelten van het ijs van de Noordpool heeft geen effect op de zeespiegel:  dat is ijs op zee en als drijvend ijs smelt, blijft de waterstand gelijk. Bij landijs, zoals Antarctica en Groenland, echter komt door het smelten van de ijskap meer water in zee.

De zeespiegel stijgt al duizenden jaren 20 cm per eeuw door natuurlijke oorzaken

 In de afgelopen achttienduizend jaar, vanaf het moment dat het ijs van de laatste  ijstijd begon te smelten, is de zeespiegel met meer dan 120 meter gestegen. Tot  zevenduizend jaar geleden ging die stijging snel, met gemiddeld ongeveer een meter per eeuw, daarna werd de stijgsnelheid steeds minder. Ook in de afgelopen eeuw is de zeespiegel voor de Nederlandse kust gestegen, met ongeveer 20 cm, doordat de ijskappen nog steeds een beetje naijlen op het einde van de laatste ijstijd, door natuurlijke fluctuaties, en mogelijk ook al als reactie op stijgende  
temperaturen door klimaatverandering. 

Als gevolg van de klimaatverandering wordt een versnelling van de zeespiegelstijging  verwacht. Wereldwijd is die versnelling ook al gemeten maar in de metingen  voor de Nederlandse kust is die versnelling tot nu toe nog niet aangetoond.

De zeespiegel stijgt niet sneller dan voorheen

 In de afgelopen achttienduizend jaar, vanaf het moment dat het ijs van de laatste  ijstijd begon te smelten, is de zeespiegel met meer dan 120 meter gestegen. Tot  zevenduizend jaar geleden ging die stijging snel, met gemiddeld ongeveer een meter per eeuw, daarna werd de stijgsnelheid steeds minder. Ook in de afgelopen eeuw is de zeespiegel voor de Nederlandse kust gestegen, met ongeveer 20 cm,    
doordat de ijskappen nog steeds een beetje naijlen op het einde van de laatste ijstijd, door natuurlijke fluctuaties, en mogelijk ook al als reactie op stijgende  temperaturen door klimaatverandering.

Als gevolg van de klimaatverandering wordt een versnelling van de zeespiegelstijging  verwacht. Wereldwijd is die versnelling ook al gemeten maar in de metingen voor de Nederlandse kust is die versnelling tot nu toe nog niet aangetoond.

De zeespiegel zal meters stijgen

 Het KNMI gaat voor de komende honderd jaar uit van een zeespiegelstijging van  35 tot 85 cm, waarvan in 2050 waarschijnlijk al 15 tot 35 cm bereikt zal zijn. Volgens het KNMI is een zeespiegelstijging van 1 tot 2,5 meter in 2300 reëel en zou de zee in het jaar 3000 wel eens tot 6 meter hoger kunnen komen te staan. De spreiding in de getallen is groot door de vele onzekerheden in met name de klimaatmodellen, de emissies van broeikasgassen en het gedrag van de ijskappen.    
Maar dat de zeespiegel in de komende eeuwen meters kan gaan stijgen, is juist. Het uitzetten van het opgewarmde zeewater zal naar verwachting  voorlopig meer aan de zeespiegelstijging bijdragen dan het smelten van de gletsjers en de ijskappen.

Zeespiegelstijging wordt in de eerste plaats veroorzaakt door uitzetting van water in   oceanen, niet door het smelten van ijskappen

Het KNMI gaat voor de komende honderd jaar uit van een zeespiegelstijging van  35 tot 85 cm, waarvan in 2050 waarschijnlijk al 15 tot 35 cm bereikt zal zijn.   Volgens het KNMI is een zeespiegelstijging van 1 tot 2,5 meter in 2300 reëel en zou de zee in het jaar 3000 wel eens tot 6 meter hoger kunnen komen te staan. De spreiding in de getallen is groot door de vele onzekerheden in met name de  klimaatmodellen, de emissies van broeikasgassen en het gedrag van de ijskappen. Maar dat de zeespiegel in de komende eeuwen meters kan gaan stijgen, is juist. Het uitzetten van het opgewarmde zeewater zal naar verwachting  voorlopig meer aan de zeespiegelstijging bijdragen dan het smelten van de gletsjers en de ijskappen.

De zeespiegel zal blijven stijgen, ook als de CO2-uitstoot drastisch wordt verminderd

De Nederlandse regering heeft zich voorgenomen de uitstoot van CO2 in 2020 ten  opzichte van 1990 met 20% te reduceren. Een forse ambitie, maar zelfs al zouden  alle landen dit voorbeeld volgen, dan zou dit geen effect hebben op de zeespiegelstijging die in deze eeuw verwacht wordt. Het klimaatsysteem reageert immers traag op veranderingen in de concentratie broeikasgassen. De zeespiegel zal blijven stijgen, ook als de CO2- uitstoot drastisch wordt verminderd. Voor een aantal gebieden in de wereld komen de maatregelen dus te laat: Tuvalu is het  eerste eiland dat in zee verdwijnt.

Tuvalu is het eerste eiland dat in zee verdwijnt

De Nederlandse regering heeft zich voorgenomen de uitstoot van CO2 in 2020 ten  opzichte van 1990 met 20% te reduceren. Een forse ambitie, maar zelfs al zouden alle landen dit voorbeeld volgen, dan zou dit geen effect hebben op de zeespiegelstijging die in deze eeuw verwacht wordt. Het klimaatsysteem reageert immers traag op veranderingen in de concentratie broeikasgassen. De zeespiegel zal blijven stijgen, ook als de CO2- uitstoot drastisch wordt verminderd. Voor een aantal gebieden in de wereld komen de maatregelen dus te laat: Tuvalu is het  eerste eiland dat in zee verdwijnt.

We pompen onszelf naar beneden

 Sinds we zijn begonnen met het bouwen van dijken en het wegpompen van water  zijn de lage delen van Nederland 2 tot 3 meter lager komen te liggen. Door de ontwatering zijn de slappe klei- en veenlagen ingeklonken. Ook is het veen deels geoxideerd: door de verlaging van de grondwaterstand is het veen in contact gekomen met zuurstof en ‘verbrand’. Dat proces gaat nog steeds door: we pompen onszelf naar beneden. In deze eeuw staat tegenover een verwachte stijging van de zeespiegel met 35 tot 85 cm een verwachte bodemdaling van West-Nederland  van decimeters tot lokaal zelfs anderhalve meter.    
Voor de veenweidegebieden van Friesland wordt in deze eeuw, als het huidige  beleid van ontwateren wordt voortgezet, een daling verwacht van maximaal 120  cm. Daar daalt het maaiveld door klink en oxidatie van het veen jaarlijks met  0,25 tot 1,25 cm! In het noordoosten van Groningen zal de bodem dalen door de  gaswinning: waarschijnlijk een kleine 40 cm in 2050 ten opzichte van 2000.

De bodem daalt net zo snel als de zeespiegel stijgt 

Naar verwachting zal in delen van West- en Noord-Nederland tussen nu en 2100 de bodem net zo veel dalen als de zee zal stijgen. Zowel bodemdaling als zeespiegelstijging leiden tot een toename van de hoeveelheid kwelwater. Er moet  daardoor meer water worden weggepompt. Omdat een deel van het kwelwater  zout is, is meer zoetwater nodig om het zout weg te spoelen.