Veiligheid nu en in de toekomst
Onze waterkeringen moeten voldoen aan veiligheidsnormen die in de wet zijn vastgelegd. Deze normen zijn kansen op bepaalde waterstanden die de waterkeringen veilig moeten kunnen keren. Zo moeten de rivierdijken hoogwaterstanden kunnen keren die met een kans van 8% in een gemiddeld mensenleven kunnen voorkomen. Die kans van 8% in een mensenleven komt neer op een kans van 1/1250 per jaar: de veiligheidsnorm voor de rivierdijken is dus 1/1250 per jaar. De rivierdijken moeten zo hoog en sterk gebouwd zijn dat zij de waterstanden die bij deze norm horen, de zogenaamde maatgevende hoogwaterstanden, veilig kunnen keren. Deze waterstanden zijn bepaald op basis van statistische extrapolatie van historische metingen van waterstanden en rivierafvoeren. Dit betekent dat onze dijken zijn ontworpen en gebouwd op basis van de dreiging uit het verleden.
Een deel van de waterkeringen voldoet nu niet aan de wettelijke normen. Waar dat het geval is, nemen de beheerders (de waterschappen en het Rijk) maatregelen zodat de dijken wel aan de normen gaan voldoen.
Bij de bescherming tegen het water is Nederland voorbereid op stormvloeden, extreme hoogwaters en zware buien die passen bij het huidige klimaat. Wel wordt bij de aanleg en versterking van zeedijken alvast rekening gehouden met de verwachte zeespiegelstijging in de komende 50-100 jaar. Ook worden de rivierdijken zo robuust aangelegd dat ze ook bij maatgevende hoogwaterstanden nog wat reservehoogte en –sterkte over Veiligheid nu en in de toekomst hebben.
Nederland is echter nu nog niet voorbereid op een hogere zeespiegel, extreem hogere rivierafvoeren en wisselvalliger weer zoals die op de langere termijn worden verwacht. Dat hoeft ook nog niet want het duurt nog erg lang voor de effecten van klimaatverandering dat noodzakelijk maken. Er wordt al wel nagedacht over aanpassingen van onze hoogwaterbescherming aan de verwachte vergaande gevolgen van de klimaatverandering. Zo hebben we in ieder geval de plannen klaarliggen om snel maatregelen te kunnen nemen en blijft Nederland goed beschermd tegen het water.
Bij de bescherming tegen het water is Nederland voorbereid op stormvloeden, extreme hoogwaters en zware buien die passen bij het huidige klimaat. Wel wordt bij de aanleg en versterking van zeedijken alvast rekening gehouden met de verwachte zeespiegelstijging in de komende 50-100 jaar. Ook worden de rivierdijken zo robuust aangelegd dat ze ook bij maatgevende hoogwaterstanden nog wat reservehoogte en –sterkte over Veiligheid nu en in de toekomst hebben.
Nederland is echter nu nog niet voorbereid op een hogere zeespiegel, extreem hogere rivierafvoeren en wisselvalliger weer zoals die op de langere termijn worden verwacht. Dat hoeft ook nog niet want het duurt nog erg lang voor de effecten van klimaatverandering dat noodzakelijk maken. Er wordt al wel nagedacht over aanpassingen van onze hoogwaterbescherming aan de verwachte vergaande gevolgen van de klimaatverandering. Zo hebben we in ieder geval de plannen klaarliggen om snel maatregelen te kunnen nemen en blijft Nederland goed beschermd tegen het water.
De gevolgen van klimaatverandering zullen op termijn tot hogere maatgevende waterstanden leiden. Maar op welk moment en in welke mate de maatgevende waterstanden, en dus de dijken, moeten worden verhoogd, is heel moeilijk vast te stellen. Op basis van metingen van de rivierafvoeren en de waterstanden op zee zullen we voorlopig geen zicht krijgen in veranderingen van de afvoeren en waterstanden die met een kans van 1/1250 of 1/10.000 per jaar kunnen optreden. We zullen hiervoor de klimaatmodellen nodig hebben.
Ook als alle waterkeringen op orde zijn, moet Laag-Nederland iedere dag met veel pompen droog worden gehouden. Zonder pompen zou het stelsel van dijken, sluizen en gemalen uiteindelijk vervallen: als we niets doen33 zou meer dan de helft van Nederland onder water lopen: het potentieel overstroombare gebied beslaat ongeveer tweederde van ons land.
De kans op een overstroming is vanwege het hoge beschermingsniveau van onze waterkeringen erg klein, maar niet nul. En dus zal vroeg of laat een overstroming plaatsvinden. Voor het laatst hebben we een overstroming meegemaakt in 1995, toen een deel van de Maas buiten zijn oevers trad. Met aanvullende beschermingsmaatregelen kan de kans op een overstroming nog verder worden verkleind maar kunnen overstromingen niet helemaal worden voorkomen.
Ons veiligheidsbeleid is zodanig georganiseerd dat wanneer blijkt dat klimaatverandering leidt tot een hogere zeestand en meer extreme rivierafvoeren, de waterstanden waar de waterkeringen op zijn ontworpen naar boven worden bijgesteld. De versterking van de waterkeringen op basis van deze verhoogde normwaterstanden levert dan weer dezelfde overstromingskans van vóór de klimaatverandering op. Hierdoor zullen gebieden in Nederland die gevoelig zijn voor overstromingen door klimaatverandering niet vaker overstromen.
De kans op een overstroming is vanwege het hoge beschermingsniveau van onze waterkeringen erg klein, maar niet nul. En dus zal vroeg of laat een overstroming plaatsvinden. Voor het laatst hebben we een overstroming meegemaakt in 1995, toen een deel van de Maas buiten zijn oevers trad. Met aanvullende beschermingsmaatregelen kan de kans op een overstroming nog verder worden verkleind maar kunnen overstromingen niet helemaal worden voorkomen.
Ons veiligheidsbeleid is zodanig georganiseerd dat wanneer blijkt dat klimaatverandering leidt tot een hogere zeestand en meer extreme rivierafvoeren, de waterstanden waar de waterkeringen op zijn ontworpen naar boven worden bijgesteld. De versterking van de waterkeringen op basis van deze verhoogde normwaterstanden levert dan weer dezelfde overstromingskans van vóór de klimaatverandering op. Hierdoor zullen gebieden in Nederland die gevoelig zijn voor overstromingen door klimaatverandering niet vaker overstromen.
Als het tóch misgaat, kunnen de gevolgen zeer groot zijn. Sommige polders liggen zo diep dat zij bij een overstroming tot een diepte van meerdere meters zouden kunnen vollopen. De kwetsbaarheid37 van Laag-Nederland voor overstromingen krijgt meer aandacht in het project Waterveiligheid 21e eeuw (WV21). Dit project richt zich op de mogelijkheden voor het verkleinen van overstromingsrisico’s (risico is het product van de kans op een overstroming en de gevolgschade van die overstroming). Onderzocht wordt of het verstandig is door te gaan met het beleid van de afgelopen decennia, gericht op het beperken van overstromingskansen, of dat ook aan het verkleinen van de mogelijke gevolgen van overstromingen moet worden gewerkt.
Zeespiegelstijging door klimaatverandering vraagt om kustverdediging. Sinds 1990 wordt bij het beheren van onze kust al rekening gehouden met de toekomstige zeespiegelstijging. Dat gebeurt op drie manieren:
-
door in te spelen op de waargenomen stijging
-
door uit te gaan van een zeespiegelstijging van 60 cm/eeuw voor investeringen met een geplande levensduur van 50-100 jaar
-
door uit te gaan van de bovengrens van de KNMI-verwachting van 85 cm/eeuw
voor voorzorgsmaatregelen voor de komende 200 jaar.
Media:
"Volgens de Taskforce Management Overstromingen is het gevaar van rampen door overstroming groter dan alle andere soorten calamiteiten bij elkaar. Er wordt hierbij verwezen naar een studie van het RIVM. Het risico wordt groter door bodemdaling, door stijging van de zeespiegel en hogere rivierafvoer in de winter."
Sinds 1953 is de kans op een overstroming van het meest kwetsbare deel van Nederland waarschijnlijk eerder afgenomen dan toegenomen. Allereerst zijn de Deltawerken uitgevoerd waardoor de kans op een overstroming vanuit zee van 1/100 per jaar naar 1/10.000ste is teruggebracht. De rivierdijken zijn ook allemaal versterkt tot 1/1250 jaar en in het overgangsgebied tussen de rivier en de zee is de kans 1/4000. Ook de dijken rond het IJsselmeer hebben een veiligheid van 1/4000 tegen overstroming vanuit dit binnenwater. Die kansen worden nog steeds kleiner omdat er ruimte wordt gemaakt voor hogere rivierafvoeren en omdat de zwakke schakels in de waterkeringen langs de kust worden versterkt. De kansen kunnen zonder extra maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering in de loop van deze en volgende eeuwen weer stijgen.De gevolgschade van een overstroming is nu wél groter dan vroeger. Dat geldt zeker voor de economische schade en het potentiële aantal getroffenen: de welvaart en de bevolking zijn sinds 1953 immers sterk gegroeid (de te beschermen waarden zijn daardoor toegenomen met een factor 4, de bevolking zal ongeveer verdubbeld zijn). Dus kansen zijn verminderd maar de gevolgen zijn toegenomen. Dat is ook de reden dat de veiligheidsfilosofie van het Rijk die ten grondslag lag aan het eerste Deltarapport na de februari ramp van 1953 thans herzien wordt. In de nieuwe filosofie wordt niet meer uitgegaan van de veiligheid van dijkvakken tegen overstroming maar van de overstromingskans van de kring van waterkeringen die een gebied moeten verdedigen. Daarbij worden meer bezwijkkansen van keringselementen meegenomen. De som van alle bezwijkkansen wordt dan de maat voor de bedreiging. Opnieuw wordt het effect van overstroming in de veiligheidsnorm meegewogen. Risico is kans maal effect.In het recente advies van de Deltacommissie wordt al voorgesteld om in dijkringen de veiligheid zo nodig een factor 10 te vergroten tov de huidige norm. Die aanscherping heeft te maken met bovenstaande ontwikkelingen in de gevaren risico’s. De Commissie wil ten aanzien van de waterdreiging een gelijkwaardig niveau nastreven als voor de andere exogene risico’s die Nederlanders kunnen bedreigen. De kans op grote aantallen slachtoffers (het groepsrisico) voor andere externe veiligheidsrisico’s, zoals chloortransporten of kernenergieopwekking is kleiner dan 1 miljoenste per jaar.
Sinds 1953 is de kans op een overstroming van het meest kwetsbare deel van Nederland waarschijnlijk eerder afgenomen dan toegenomen. Allereerst zijn de Deltawerken uitgevoerd waardoor de kans op een overstroming vanuit zee van 1/100 per jaar naar 1/10.000ste is teruggebracht. De rivierdijken zijn ook allemaal versterkt tot 1/1250 jaar en in het overgangsgebied tussen de rivier en de zee is de kans 1/4000. Ook de dijken rond het IJsselmeer hebben een veiligheid van 1/4000 tegen overstroming vanuit dit binnenwater. Die kansen worden nog steeds kleiner omdat er ruimte wordt gemaakt voor hogere rivierafvoeren en omdat de zwakke schakels in de waterkeringen langs de kust worden versterkt. De kansen kunnen zonder extra maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering in de loop van deze en volgende eeuwen weer stijgen.
De gevolgschade van een overstroming is nu wél groter dan vroeger. Dat geldt zeker voor de economische schade en het potentiële aantal getroffenen: de welvaart en de bevolking zijn sinds 1953 immers sterk gegroeid (de te beschermen waarden zijn daardoor toegenomen met een factor 4, de bevolking zal ongeveer verdubbeld zijn). Dus kansen zijn verminderd maar de gevolgen zijn toegenomen. Dat is ook de reden dat de veiligheidsfilosofie van het Rijk die ten grondslag lag aan het eerste Deltarapport na de februari ramp van 1953 thans herzien wordt. In de nieuwe filosofie wordt niet meer uitgegaan van de veiligheid van dijkvakken tegen overstroming maar van de overstromingskans van de kring van waterkeringen die een gebied moeten verdedigen. Daarbij worden meer bezwijkkansen van keringselementen meegenomen. De som van alle bezwijkkansen wordt dan de maat voor de bedreiging. Opnieuw wordt het effect van overstroming in de veiligheidsnorm meegewogen. Risico is kans maal effect.
In het recente advies van de Deltacommissie wordt al voorgesteld om in dijkringen de veiligheid zo nodig een factor 10 te vergroten tov de huidige norm. Die aanscherping heeft te maken met bovenstaande ontwikkelingen in de gevaren risico’s. De Commissie wil ten aanzien van de waterdreiging een gelijkwaardig niveau nastreven als voor de andere exogene risico’s die Nederlanders kunnen bedreigen.
(zie ook artikel " De veiligheid achter de dijken moet met een factor 10 omhoog)