Het klimaat verandert en laat zijn sporen na
In "De Staat van het Klimaat 2007" geven de Nederlandse instituten voor klimaatonderzoek,
verenigd in het Platform Communication on Climate Change (PCCC),
aan hoe het klimaat van de aarde, en Nederland in het bijzonder, er nu voor staat
in relatie tot de klimaatverandering. Sinds 1900 is de aarde ruim 0,7 °C warmer
geworden, Nederland zelfs 1,2 °C. Uit verschillende studies blijkt dat sinds 1950
het grootste deel van de waargenomen opwarming van de aarde is veroorzaakt
door de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van menselijk handelen5.
In 2100 wordt een mondiale temperatuurstijging verwacht van 1,1 tot 6,4 °C ten
opzichte van 1990. In 2050 zal hiervan in Nederland waarschijnlijk al minstens
0,9 °C stijging zijn bereikt, en maximaal zelfs 2,3 (winter) tot 2,8 °C (zomer). Ook
na 2100 zal het klimaat nog reageren op de toegenomen hoeveelheid broeikasgassen
in de atmosfeer, zelfs als we de uitstoot van deze gassen nu fors zouden
reduceren. Het klimaatsysteem reageert traag op veranderingen in de uitstoot
van deze gassen en effecten uit het verleden werken door in de verre toekomst.
Het weer is de temperatuur, neerslag, windsnelheid etc. op een bepaald moment. Het klimaat is het gemiddelde van deze karakteristieken over een langjarige periode. Het klimaat van nu en dat van, bijvoorbeeld, 2100 kunnen tot vergelijkbare extremen in het weer leiden: maar de kans op die extremen wordt door klimaatverandering groter.
In de afgelopen jaren heeft het weer in Nederland een groot aantal warmterecords gebroken. Op zich passen deze records bij de variabiliteit van het weer.
De aarde warmt op van nu maar het grote aantal records op rij lijkt te wijzen op een veranderend klimaat, met voor Nederland warme zomers en zachte winters en een grotere kans op extreem zware buien.
In ons land wordt de temperatuur sinds 1706 geregistreerd. Sinds dat jaar waren juli en september 2006 de warmste juli- en septembermaand, en was de winter van 2006-2007 de warmste winter. Ook de herfst van 2006 staat met 13,6 °C op een eerste plaats, zelfs 1,6 °C boven het vorige herfstrecord van 2005. De tien warmste jaren van deze planeet sinds 1861 traden op na 1980, waarvan zeven zelfs na 1990.
Het weer is de temperatuur, neerslag, windsnelheid etc. op een bepaald moment. Het klimaat is het gemiddelde van deze karakteristieken over een langjarige periode. Het klimaat van nu en dat van, bijvoorbeeld, 2100 kunnen tot vergelijkbare extremen in het weer leiden: maar de kans op die extremen wordt door klimaatverandering groter.
In de afgelopen jaren heeft het weer in Nederland een groot aantal warmterecords gebroken. Op zich passen deze records bij de variabiliteit van het weer.
De aarde warmt op van nu maar het grote aantal records op rij lijkt te wijzen op een veranderend klimaat, met voor Nederland warme zomers en zachte winters en een grotere kans op extreem zware buien.
In ons land wordt de temperatuur sinds 1706 geregistreerd. Sinds dat jaar waren juli en september 2006 de warmste juli- en septembermaand, en was de winter van 2006-2007 de warmste winter. Ook de herfst van 2006 staat met 13,6 °C op een eerste plaats, zelfs 1,6 °C boven het vorige herfstrecord van 2005. De tien warmste jaren van deze planeet sinds 1861 traden op na 1980, waarvan zeven zelfs na 1990.
Voor Europa zijn de belangrijkste effecten van de temperatuurstijging waarschijnlijk meer neerslag in Midden- en Noord-Europa in de winter en minder neerslag in Zuid-Europa in de zomer. In de winter zal waarschijnlijk meer neerslag in de vorm van regen vallen en minder in de vorm van sneeuw. In de winter gaat het in Nederland door klimaatverandering steeds vaker regenen, in de zomer juist minder maar wel in de vorm van zwaardere buien.
Door de klimaatverandering zal de kans op extremen in het weer, met droogte en overstromingen tot gevolg, wereldwijd vrijwel zeker toenemen. Klimaatverandering betekent voor Nederland vaker extreme regenval of juist droogte en hitte, maar ook vaker hoge en lage waterstanden in de rivieren.
Dankzij ons beleid voor de bescherming tegen overstromingen zal de kans op overstromingen echter niet toenemen (zie "Veiligheid nu en in de toekomst").
Door de klimaatverandering zal de kans op extremen in het weer, met droogte en overstromingen tot gevolg, wereldwijd vrijwel zeker toenemen. Klimaatverandering betekent voor Nederland vaker extreme regenval of juist droogte en hitte, maar ook vaker hoge en lage waterstanden in de rivieren. Dankzij ons beleid voor de bescherming tegen overstromingen zal de kans op overstromingen echter niet toenemen ("Veiligheid nu en in de toekomst").
In Nederland zal in de zomer dus minder neerslag vallen maar als het regent zal dit vaker in de vorm van zeer zware buien zijn. Niet alleen de frequentie van zware buien maar ook de intensiteit van die buien zal toenemen.
Augustus 2006 heeft ons een voorproefje gegeven van wat ons te wachten staat: deze maand was gemiddeld over Nederland de natste oogstmaand in 100 jaar. Deze extreem natte maand hoeft echter niets te maken te hebben met klimaatverandering: ons weer is zo variabel dat deze extremen ook zonder klimaatverandering kunnen optreden. De kans op deze extremen neemt door klimaatverandering wel toe. Als we onvoldoende maatregelen nemen, zal dit vooral in de bewoonde gebieden steeds vaker tot wateroverlast leiden.
Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal hebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis van de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de toekomst vaker zullen voorkomen, en dat de stormschade in de toekomst sterk zal toenemen.
Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie uit de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiële energie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is van het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging van het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.
Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal hebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis an de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de oekomst vaker zullen voorkomen, en dat de tormschade in de toekomst terk zal toenemen.
Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie it de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiëleenergie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is an het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging an het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.
Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal ebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis van de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de toekomst vaker zullen voorkomen, en dat de stormschade in de toekomst sterk zal toenemen.
Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie
uit de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiële nergie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is van het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging an het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.
Door klimaatverandering smelten de ijskappen van Groenland en Antarctica. Op Groenland ligt voldoende ijs om de zeespiegel wereldwijd gemiddeld met bijna zeven meter te doen stijgen. West-Antarctica zou daar nog eens zes meter aan toe kunnen voegen. Het ijs dat dan nog op Antarctica ligt, staat weliswaar gelijk aan tientallen meters zeespiegelstijging maar dat ijs zal niet smelten, tenzij het klimaat vele eeuwen na nu veel warmer wordt dan waar wetenschappers nu van uit gaan.
Voor de zeespiegelstijging is vooral het gedrag van de landijsmassa’s van Groenland en Antarctica van belang. De potentiële zeespiegelstijging van meerdere meters in de komende eeuwen ligt daar opgeslagen. De dreiging van de smeltende gletsjers valt eigenlijk wel mee. Volgens schattingen kunnen de gletsjers en ijskappen die buiten Groenland en Antarctica liggen maximaal 15 tot 24 cm zeespiegelstijging opleveren. Dan is dit ijs op. Dit zou binnen een paar generaties al het geval kunnen zijn. Veel gletsjers zullen niet lang meer blijven bestaan.
De ontwikkeling van het toenemend smelten van gletsjers sluit aan bij de
temperatuurstijging over de afgelopen 150 jaar. De betekenis van het smelten
van de gletsjers is meer het verdwijnen van de gletsjers zelf dan het effect op de
zeespiegelstijging.
Het smelten van het ijs van de Noordpool heeft geen effect op de zeespiegel: dat is ijs op zee en als drijvend ijs smelt, blijft de waterstand gelijk. Bij landijs, zoals Antarctica en Groenland, echter komt door het smelten van de ijskap meer water in zee.
In de afgelopen achttienduizend jaar, vanaf het moment dat het ijs van de laatste ijstijd begon te smelten, is de zeespiegel met meer dan 120 meter gestegen. Tot zevenduizend jaar geleden ging die stijging snel, met gemiddeld ongeveer een meter per eeuw, daarna werd de stijgsnelheid steeds minder. Ook in de afgelopen eeuw is de zeespiegel voor de Nederlandse kust gestegen, met ongeveer 20 cm, doordat de ijskappen nog steeds een beetje naijlen op het einde van de laatste ijstijd, door natuurlijke fluctuaties, en mogelijk ook al als reactie op stijgende
temperaturen door klimaatverandering.
Als gevolg van de klimaatverandering wordt een versnelling van de zeespiegelstijging verwacht. Wereldwijd is die versnelling ook al gemeten maar in de metingen voor de Nederlandse kust is die versnelling tot nu toe nog niet aangetoond.
In de afgelopen achttienduizend jaar, vanaf het moment dat het ijs van de laatste ijstijd begon te smelten, is de zeespiegel met meer dan 120 meter gestegen. Tot zevenduizend jaar geleden ging die stijging snel, met gemiddeld ongeveer een meter per eeuw, daarna werd de stijgsnelheid steeds minder. Ook in de afgelopen eeuw is de zeespiegel voor de Nederlandse kust gestegen, met ongeveer 20 cm,
doordat de ijskappen nog steeds een beetje naijlen op het einde van de laatste ijstijd, door natuurlijke fluctuaties, en mogelijk ook al als reactie op stijgende temperaturen door klimaatverandering.
Als gevolg van de klimaatverandering wordt een versnelling van de zeespiegelstijging verwacht. Wereldwijd is die versnelling ook al gemeten maar in de metingen voor de Nederlandse kust is die versnelling tot nu toe nog niet aangetoond.
Het KNMI gaat voor de komende honderd jaar uit van een zeespiegelstijging van 35 tot 85 cm, waarvan in 2050 waarschijnlijk al 15 tot 35 cm bereikt zal zijn. Volgens het KNMI is een zeespiegelstijging van 1 tot 2,5 meter in 2300 reëel en zou de zee in het jaar 3000 wel eens tot 6 meter hoger kunnen komen te staan. De spreiding in de getallen is groot door de vele onzekerheden in met name de klimaatmodellen, de emissies van broeikasgassen en het gedrag van de ijskappen.
Maar dat de zeespiegel in de komende eeuwen meters kan gaan stijgen, is juist. Het uitzetten van het opgewarmde zeewater zal naar verwachting voorlopig meer aan de zeespiegelstijging bijdragen dan het smelten van de gletsjers en de ijskappen.
Het KNMI gaat voor de komende honderd jaar uit van een zeespiegelstijging van 35 tot 85 cm, waarvan in 2050 waarschijnlijk al 15 tot 35 cm bereikt zal zijn. Volgens het KNMI is een zeespiegelstijging van 1 tot 2,5 meter in 2300 reëel en zou de zee in het jaar 3000 wel eens tot 6 meter hoger kunnen komen te staan. De spreiding in de getallen is groot door de vele onzekerheden in met name de klimaatmodellen, de emissies van broeikasgassen en het gedrag van de ijskappen. Maar dat de zeespiegel in de komende eeuwen meters kan gaan stijgen, is juist. Het uitzetten van het opgewarmde zeewater zal naar verwachting voorlopig meer aan de zeespiegelstijging bijdragen dan het smelten van de gletsjers en de ijskappen.
De Nederlandse regering heeft zich voorgenomen de uitstoot van CO2 in 2020 ten opzichte van 1990 met 20% te reduceren. Een forse ambitie, maar zelfs al zouden alle landen dit voorbeeld volgen, dan zou dit geen effect hebben op de zeespiegelstijging die in deze eeuw verwacht wordt. Het klimaatsysteem reageert immers traag op veranderingen in de concentratie broeikasgassen. De zeespiegel zal blijven stijgen, ook als de CO2- uitstoot drastisch wordt verminderd. Voor een aantal gebieden in de wereld komen de maatregelen dus te laat: Tuvalu is het eerste eiland dat in zee verdwijnt.
De Nederlandse regering heeft zich voorgenomen de uitstoot van CO2 in 2020 ten opzichte van 1990 met 20% te reduceren. Een forse ambitie, maar zelfs al zouden alle landen dit voorbeeld volgen, dan zou dit geen effect hebben op de zeespiegelstijging die in deze eeuw verwacht wordt. Het klimaatsysteem reageert immers traag op veranderingen in de concentratie broeikasgassen. De zeespiegel zal blijven stijgen, ook als de CO2- uitstoot drastisch wordt verminderd. Voor een aantal gebieden in de wereld komen de maatregelen dus te laat: Tuvalu is het eerste eiland dat in zee verdwijnt.
Sinds we zijn begonnen met het bouwen van dijken en het wegpompen van water zijn de lage delen van Nederland 2 tot 3 meter lager komen te liggen. Door de ontwatering zijn de slappe klei- en veenlagen ingeklonken. Ook is het veen deels geoxideerd: door de verlaging van de grondwaterstand is het veen in contact gekomen met zuurstof en ‘verbrand’. Dat proces gaat nog steeds door: we pompen onszelf naar beneden. In deze eeuw staat tegenover een verwachte stijging van de zeespiegel met 35 tot 85 cm een verwachte bodemdaling van West-Nederland van decimeters tot lokaal zelfs anderhalve meter.
Voor de veenweidegebieden van Friesland wordt in deze eeuw, als het huidige beleid van ontwateren wordt voortgezet, een daling verwacht van maximaal 120 cm. Daar daalt het maaiveld door klink en oxidatie van het veen jaarlijks met 0,25 tot 1,25 cm! In het noordoosten van Groningen zal de bodem dalen door de gaswinning: waarschijnlijk een kleine 40 cm in 2050 ten opzichte van 2000.
Naar verwachting zal in delen van West- en Noord-Nederland tussen nu en 2100 de bodem net zo veel dalen als de zee zal stijgen. Zowel bodemdaling als zeespiegelstijging leiden tot een toename van de hoeveelheid kwelwater. Er moet daardoor meer water worden weggepompt. Omdat een deel van het kwelwater zout is, is meer zoetwater nodig om het zout weg te spoelen.
"Op de noordpool heeft de klimaatverandering voor een opvallend grote afname van het ijs gezorgd, aldus wetenschappers."
Satellietbeelden laten zien dat de ijsbedekking in het noordpoolgebied afneemt, zowel in de winter als in de zomer. Het smelten van zeeijs heeft geen gevolgen voor de zeespiegel. Het heeft wel gevolgen voor het klimaat in het noordpoolgebied en mogelijk ver daar buiten, doordat de albedo over een zeer groot oppervlak van de aarde drastisch afneemt bij smelten van al het actische ijs. Dit zal leiden tot verdere stijging van de temperatuur en veranderingen in de stromingspatronen in de atmosfeer en de oceanen.
Sinds 1979 wordt de bedekking van het zeeijs in het noordpoolgebied met satellieten gemeten. Deze metingen laten een gestage afname in de ijsbedekking zien in de afgelopen 30 jaar. Die afname is het grootst voor de ijsbedekking aan het eind van de zomer: ongeveer 15 tot 34 % . De afname in de winter is 2 - 3% over de afgelopen 25 jaar. Doordat het smelten jaarlijks groter is dan het weer bevriezen en aanvriezen is de zeeijsdikte de afgelopen periode met ongeveer 40% afgenomen. In het voorjaar begint het ijs ongeveer twee weken eerder te smelten.
In de zomer van 2007 bereikte de zeeijsbedekking in het noordpoolgebied een nieuw laagterecord sinds het begin van de satellietmetingen. In de zomer van 2008 bleef de oppervlakte met zeeijs 9% boven die van 2007. Afgelopen zomer was de verbreiding van het zeeijs wat omvang betreft vergelijkbaar met vorig jaar. Toch was de laatste twee jaren de oppervlakte met zeeijs 34% minder dan het gemiddelde over de periode 1979 - 2000. Het volume zeeijs was in de zomers van 2008 en 2009 wel record laag.
Het tempo van smelten van het poolijs is veel groter dan de klimaatmodellen tot nu toe hebben voorspeld. Verwacht wordt nu dat halverwege deze eeuw het poolijs in de zomer nagenoeg verdwenen is, bij een gelijke trend in het smelt tempo als de afgelopen 30 jaar.