Het klimaat verandert en laat zijn sporen na

Smelt het ijs op de noordpool nog sneller dan verwacht?

"Op de noordpool heeft de klimaatverandering voor een opvallend grote afname van het ijs gezorgd, aldus wetenschappers."

Satellietbeelden laten zien dat de ijsbedekking in het noordpoolgebied afneemt, zowel in de winter als in de zomer. Het smelten van zeeijs heeft geen gevolgen voor de zeespiegel. Het heeft wel gevolgen voor het klimaat in het noordpoolgebied en mogelijk ver daar buiten, doordat de albedo over een zeer groot oppervlak van de aarde drastisch afneemt bij smelten van al het actische ijs. Dit zal leiden tot verdere stijging van de temperatuur en veranderingen in de stromingspatronen in de atmosfeer en de oceanen.

Sinds 1979 wordt de bedekking van het zeeijs in het noordpoolgebied met satellieten gemeten. Deze metingen laten een gestage afname in de ijsbedekking zien in de afgelopen 30 jaar. Die afname is het grootst voor de ijsbedekking aan het eind van de zomer: ongeveer 15 tot 34 % . De afname in de winter is 2 - 3% over de afgelopen 25 jaar. Doordat het smelten jaarlijks groter is dan het weer bevriezen en aanvriezen is de zeeijsdikte de afgelopen periode met ongeveer 40% afgenomen. In het voorjaar begint het ijs ongeveer twee weken eerder te smelten.

In de zomer van 2007 bereikte de zeeijsbedekking in het noordpoolgebied een nieuw laagterecord sinds het begin van de satellietmetingen. In de zomer van 2008 bleef de oppervlakte met zeeijs 9% boven die van 2007. Afgelopen zomer was de verbreiding van het zeeijs wat omvang betreft vergelijkbaar met vorig jaar. Toch was de laatste twee jaren de oppervlakte met zeeijs 34% minder dan het gemiddelde over de periode 1979 - 2000. Het volume zeeijs was in de zomers van 2008 en 2009 wel record laag.

Het tempo van smelten van het poolijs is veel groter dan de klimaatmodellen tot nu toe hebben voorspeld. Verwacht wordt nu dat halverwege deze eeuw het poolijs in de zomer nagenoeg verdwenen is, bij een gelijke trend in het smelt tempo als de afgelopen 30 jaar.

Opwarming Nederland sneller dan wereldgemiddeld

"Versnelde opwarming Nederland niet in modellen KNMI. Nederland (en grote delen van Europa) warmt twee keer zo snel op als de rest van de wereld gemiddeld doet."

Tot nu toe werd verwacht dat de opwarming in Nederland (en omstreken) ongeveer even snel zou gaan als de wereldgemiddelde stijging van de temperatuur. Tussen 1950 en nu blijkt de opwarming in Nederland echter twee keer zo groot te zijn geweest als het wereldgemiddelde. De temperaturen in de herfst van 2006 en de winter en het voorjaar van 2007 zijn, zelfs als we rekening houden met de snellere opwarming van Nederland, uitzonderlijk grote afwijkingen boven de trend.

Klimaatmodellen kunnen de waargenomen stijging van de wereldgemiddelde temperatuur en het grootschalige patroon van die opwarming goed simuleren: snellere opwarming boven grote landmassa's, in droge gebieden en daar waar sneeuw en ijs verdwijnen. We kunnen er op vertrouwen dat de voornaamste grootschalige processen die de temperatuurstijging veroorzaken, goed in de modellen zijn beschreven. De verschillen tussen waarneming en voorspelling zitten in de (ruimtelijke en temporele) details.

Zo is de opwarming van West-Europa, een klein gebied op de wereldkaart, in werkelijkheid veel sneller verlopen dan klimaatmodellen aangeven. In een groot gedeelte van Europa zijn deze verschillen geen toevallige fluctuaties. De belangrijkste reden voor de waargenomen verschillen voor Nederland zijn meer westenwind in de late winter en het vroege voorjaar, en meer zonnestraling in het voorjaar en de zomer.

De verschuiving in de overheersende windrichting hangt samen met een toename van de luchtdruk in het Middellandse Zeegebied in de maanden januari tot maart. Dit verklaart het overgrote deel van de snellere opwarming in die tijd van het jaar en de afname van het aantal strenge winters in de afgelopen jaren. De toename van de zonnestraling hangt samen met de verbetering van de luchtkwaliteit en de afname van de concentratie stofdeeltjes in de lucht. Met het weer schoner worden van de lucht in de afgelopen twintig jaar kan meer zonnestraling de grond bereiken. Mede hierdoor zijn de lente- en zomertemperaturen tot midden jaren 1980 nauwelijks toegenomen, en daarna dubbel zo snel gestegen.

Naast de schonere lucht speelt ook de afname van de bewolking een rol bij de waargenomen extra opwarming in het voorjaar en de zomer. Vooral dit effect zal op de langere termijn van belang zijn voor de toename van de hoeveelheid zonnestraling aan de grond, vooral als bij zuidelijke wind droge en warme lucht uit het snel opwarmende Zuid-Europa wordt aangevoerd.

De geconstateerde en aanhoudende opwarming leidt in de meeste recente jaren niet tot extreem hoge maximum temperaturen in de zomermaanden en langdurige hittegolven. Het vaker en vroeger optreden van minder koude nachten en meer dagen met iets bovennormale temperaturen bij meer zuidwesten wind dragen veel bij aan de hogere jaartemperaturen in onze streken.

Indonesisch veen heeft ‘alarmerende invloed’ op broeikaseffect

"Uit metingen blijkt dat Indonesisch veen op Sumatra en Kalimantan zorgt voor een uitstoot van 2 miljard kilo CO2. Daarmee blijkt de uitstoot van broeikasgas door Indonesië drie keer zo groot als die van heel Duitsland. Door de nieuwe cijfers komt Indonesië op de derde plaats van 'meest-broeikasgas' landen, direct achter de Verenigde Staten (1) en China (2). Tot nu toe stond Indonesië op deze lijst op de 21ste plaats."

In de afgelopen jaren is een groot deel van het Indonesische tropisch regenwoud gekapt. Vervolgens zijn grote gebieden beplant met acaciabomen voor de productie van papier en palmoliebomen voor biobrandstof. Daarbij is de veenrijke ondergrond ontwaterd: er zijn kanalen gegraven die zorgen voor een snellere afvoer van het water. Het resultaat is dat de grondwaterstand daalt (het veen loopt als het ware leeg) waardoor het veen in de bodem aan het zuurstof in de lucht wordt blootgesteld en oxideert. Ook komen door deze ontwatering meer branden van het uitgedroogde veen voor. Bij deze oxidatie en veenbranden komt het broeikasgas CO2 vrij. 

Er zijn schattingen gemaakt van deze uitstoot nu en in de toekomst door gegevens over de oppervlakte en diepte van het veen te combineren met gegevens over het landgebruik, het waterbeheer, de snelheid waarmee het veen oxideert en het aantal veenbranden. Hieruit blijkt dat de uitstoot van broeikasgassen door de ontwatering en afbraak van het veen in Indonesië tot 7% kan bijdragen aan de totale wereldwijde uitstoot van broeikasgassen door het verbruik van fossiele brandstoffen. Uit de schattingen blijkt ook dat de uitstoot door drainage van veengebieden in de loop van deze eeuw verder kan toenemen als het beheer van deze gebieden niet verandert. Met waterbeheerplannen, die nu worden gemaakt, kan de uitstoot worden verminderd en kunnen het veen en het tropisch bos, met onder meer het habitat van de oerang oetan, worden beschermd.

Aanpassingen in het waterbeheer (adaptatie) zijn dus niet alleen bedoeld om effecten van klimaatverandering op te vangen maar kunnen ook bijdragen aan CO2 reductie (mitigatie).

‘Tulpeiland is slechts een metafoor’

"Er is veel scepsis over het nut en de haalbaarheid van proefeilanden voor onze kust waar door de waterbouwsector innovatief geëxperimenteerd kan worden. Deskundigen zien op de plaats van de tulp een moddervlakte ontstaan."

In november 2007 werd door de Tweede Kamer de motie Atsma aangenomen: een verzoek aan de regering om de mogelijkheden en onmogelijkheden van landaanwinning in de Noordzee in beeld te brengen. Een kunstmatig (schier)eiland, een polder of een zeewaartse verbreding van de kustzone zou een antwoord kunnen zijn op de toenemende ruimtebehoefte in vooral de Randstad. Naar aanleiding van deze motie toonden kranten een satellietbeeld van de Noordzee met een eiland in de vorm van een tulp. Later kreeg het eiland in de pers de  vorm van een hennepplant, met een knipoog naar een ander Hollands handelsmerk.

Geïnspireerd door de ervaringen met de aanleg van kunstmatige eilanden voor de kust van Dubai, kwam Boskalis met het idee om een reeks eilanden voor de Hollandse, Zeeuwse en Belgische kust op te spuiten. Hiermee zou meer ruimte kunnen worden geschapen en zou de kustveiligheid kunnen worden vergroot. Onze baggersector heeft de benodigde schepen en de Noordzee heeft genoeg zand. Eilanden in zee zijn technisch haalbaar en ecologisch inpasbaar, mits goed vorm gegeven.

Aan de uitvoering kleven echter ook nadelen. Het is duur, onder meer vanwege de tunnels of bruggen voor de verbinding van de eilanden met het vaste land. Eventueel zouden eilanden voor specifieke functies kunnen worden gebouwd, zoals een energie-eiland (globaal 3 miljard euro) of een vliegveld in zee (20 à 90 miljard euro). Voor de landbouw, bedrijfsterreinen of grootschalige woningbouw is landaanwinning op de Noordzee niet zinvol. Het belang van eilanden in zee moet bovendien worden afgewogen tegen andere functies op zee, zoals scheepvaart en natuur (denk aan de Vogel- en Habitatrichtlijn). De kustveiligheid wordt door kunstmatige eilanden niet groter, mogelijk zelfs kleiner. Het concept Nationaal Water Plan neemt daarom ook afstand van het idee van nieuwe eilanden voor de kust.

Landaanwinning op zee is één van de oplossingen voor het tekort aan ruimte in Nederland. Andere oplossingen zijn intensief ruimtegebruik in bestaande stedelijke gebieden, het combineren van meerdere functies op dezelfde ruimte of het verplaatsen van activiteiten naar minder dicht bevolkte regio’s. De politiek lijkt vooralsnog niet voor landaanwinning in de Noordzee te kiezen. Het tulpeneiland is slechts een metafoor voor Nederland ondernemend waterland. De aandacht zal de komende jaren zijn gericht op innovaties die door deskundigen wél zinvol worden geacht, zoals de versterking van de Afsluitdijk of de Zandmotor bij Delfland.

De mens is de oorzaak van het broeikaseffect

Onze planeet is omringd door een mantel van broeikasgassen en deze mantel  
houdt warmte vast. Zonder dit broeikaseffect zou de gemiddelde temperatuur op    
aarde 19 graden onder nul zijn en niet de plus 14 zoals wij die gemiddeld op aarde    
kennen. Gemakshalve wordt, ook in deze brochure, geschreven over het broeikaseffect    
als eigenlijk de versterking van dit effect wordt bedoeld: een toename    
dus ten opzichte van het gemiddelde van plus 14. De mens is de oorzaak van dit    
versterkte broeikaseffect1, nu en zeer waarschijnlijk in de komende eeuwen.

Het broeikaseffect komt door de uitstoot van CO2

De versterking van het broeikaseffect is volgens het overgrote deel van de klimaatwetenschappers  met name het gevolg van de uitstoot van CO2. Maar ook andere gassen, waaronder vooral methaan, dragen aan het broeikaseffect bij.  Uit onderzoek is gebleken dat de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer voornamelijk  toeneemt door de verbranding van fossiele brandstoffen. Deze toename begon  rond 1800, bij het begin van de industriële revolutie, maar is vooral de laatste tientallen jaren fors.

Het broeikaseffect is het gevolg van het verbranden van fossiele brandstoffen

De versterking van het broeikaseffect is volgens het overgrote deel van de klimaatwetenschappers  met name het gevolg van de uitstoot van CO2   Maar ook  andere gassen, waaronder vooral methaan, dragen aan het broeikaseffect bij. Uit onderzoek is gebleken dat de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer voornamelijk  toeneemt door de verbranding van fossiele brandstoffen. Deze toename begon  rond 1800, bij het begin van de industriële revolutie, maar is vooral de laatste  tientallen jaren fors.

Nederland kan in zijn eentje niets doen aan smeltende ijskappen

Het broeikaseffect is een probleem op wereldschaal dat met wereldwijde maatregelen moet worden aangepakt. Nederland kan in zijn eentje niets doen aan smeltende ijskappen maar kan wel zijn steentje bijdragen in samenwerking met andere landen. Ook kan Nederland zichzelf voorbereiden op de gevolgen ervan.

De aarde warmt op door menselijk handelen

In "De Staat van het Klimaat 2007" geven de Nederlandse instituten voor klimaatonderzoek,  
verenigd in het Platform Communication on Climate Change (PCCC),    
aan hoe het klimaat van de aarde, en Nederland in het bijzonder, er nu voor staat    
in relatie tot de klimaatverandering. Sinds 1900 is de aarde ruim 0,7 °C warmer    
geworden, Nederland zelfs 1,2 °C. Uit verschillende studies blijkt dat sinds 1950    
het grootste deel van de waargenomen opwarming van de aarde is veroorzaakt    
door de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van menselijk handelen5.    
In 2100 wordt een mondiale temperatuurstijging verwacht van 1,1 tot 6,4 °C ten    
opzichte van 1990. In 2050 zal hiervan in Nederland waarschijnlijk al minstens    
0,9 °C stijging zijn bereikt, en maximaal zelfs 2,3 (winter) tot 2,8 °C (zomer). Ook    
na 2100 zal het klimaat nog reageren op de toegenomen hoeveelheid broeikasgassen    
in de atmosfeer, zelfs als we de uitstoot van deze gassen nu fors zouden    
reduceren. Het klimaatsysteem reageert traag op veranderingen in de uitstoot    
van deze gassen en effecten uit het verleden werken door in de verre toekomst.

Warmterecords het gevolg van klimaatverandering

 Het weer is de temperatuur, neerslag, windsnelheid etc. op een bepaald moment.  Het klimaat is het gemiddelde van deze karakteristieken over een langjarige periode.  Het klimaat van nu en dat van, bijvoorbeeld, 2100 kunnen tot vergelijkbare  extremen in het weer leiden: maar de kans op die extremen wordt door klimaatverandering groter.

In de afgelopen jaren heeft het weer in Nederland een groot aantal warmterecords gebroken. Op zich passen deze records bij de variabiliteit van het weer.

De aarde warmt op van nu maar het grote aantal records op rij lijkt te wijzen op een veranderend  klimaat, met voor Nederland warme zomers en zachte winters en een grotere kans op extreem zware buien.

In ons land wordt de temperatuur sinds 1706 geregistreerd. Sinds dat jaar waren  juli en september 2006 de warmste juli- en septembermaand, en was de winter van 2006-2007 de warmste winter. Ook de herfst van 2006 staat met 13,6 °C op  een eerste plaats, zelfs 1,6 °C boven het vorige herfstrecord van 2005. De tien warmste jaren van deze planeet sinds 1861 traden op na 1980, waarvan zeven  zelfs na 1990.

Nederland staat warme zomers en zachte winters met grotere kans op extreme neerslag te wachten

 Het weer is de temperatuur, neerslag, windsnelheid etc. op een bepaald moment.  Het klimaat is het gemiddelde van deze karakteristieken over een langjarige periode. Het klimaat van nu en dat van, bijvoorbeeld, 2100 kunnen tot vergelijkbare extremen in het weer leiden: maar de kans op die extremen wordt door klimaatverandering groter.

In de afgelopen jaren heeft het weer in Nederland een groot aantal warmterecords gebroken. Op zich passen deze records bij de variabiliteit van het weer.

De aarde warmt op van nu maar het grote aantal records op rij lijkt te wijzen op een veranderend klimaat, met voor Nederland warme zomers en zachte winters en een grotere kans op extreem zware buien.

In ons land wordt de temperatuur sinds 1706 geregistreerd. Sinds dat jaar waren  juli en september 2006 de warmste juli- en septembermaand, en was de winter  van 2006-2007 de warmste winter. Ook de herfst van 2006 staat met 13,6 °C op   een eerste plaats, zelfs 1,6 °C boven het vorige herfstrecord van 2005. De tien warmste jaren van deze planeet sinds 1861 traden op na 1980, waarvan zeven zelfs na 1990.

Door klimaatverandering gaat het steeds vaker regenen

Voor Europa zijn de belangrijkste effecten van de temperatuurstijging waarschijnlijk  meer neerslag in Midden- en Noord-Europa in de winter en minder neerslag in Zuid-Europa in de zomer. In de winter zal waarschijnlijk meer neerslag in de vorm van regen vallen en minder in de vorm van sneeuw. In de winter gaat het  in Nederland door klimaatverandering steeds vaker regenen, in de zomer juist  minder maar wel in de vorm van zwaardere buien.

Klimaatveranderingen veroorzaken extremen in weer en overstromingen

 Door de klimaatverandering zal de kans op extremen in het weer, met droogte en overstromingen tot gevolg, wereldwijd vrijwel zeker toenemen. Klimaatverandering  betekent voor Nederland vaker extreme regenval of juist droogte en hitte, maar ook vaker hoge en lage waterstanden in de rivieren.    
Dankzij ons beleid voor de bescherming tegen overstromingen zal de kans op overstromingen echter niet toenemen (zie "Veiligheid nu en in de  toekomst").

Klimaatverandering betekent voor Nederland zware stormen, extreme regenval, droge   hitte en hoge waterstanden in de rivieren

Door de klimaatverandering zal de kans op extremen in het weer, met droogte en overstromingen tot gevolg, wereldwijd vrijwel zeker toenemen. Klimaatverandering betekent voor Nederland vaker extreme regenval of juist droogte en hitte, maar ook vaker hoge en lage waterstanden in de rivieren. Dankzij ons beleid voor de bescherming tegen overstromingen zal de kans op overstromingen echter niet toenemen ("Veiligheid nu en in de toekomst").

De klimaatverandering is de oorzaak van de grote hoeveelheid neerslag van 2006

 In Nederland zal in de zomer dus minder neerslag vallen maar als het regent zal dit vaker in de vorm van zeer zware buien zijn. Niet alleen de frequentie van zware buien maar ook de intensiteit van die buien zal toenemen.

Augustus 2006 heeft ons een voorproefje gegeven van wat ons te wachten staat: deze maand was gemiddeld over Nederland de natste oogstmaand in 100 jaar. Deze extreem natte maand hoeft echter niets te maken te hebben met klimaatverandering: ons weer is zo variabel dat deze extremen ook zonder klimaatverandering kunnen optreden. De kans op deze extremen neemt door klimaatverandering wel toe. Als we onvoldoende maatregelen nemen, zal dit vooral in de bewoonde gebieden steeds vaker tot wateroverlast leiden.

Stormen zullen in de toekomst vaker voorkomen

 Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal  hebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis van de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de toekomst vaker zullen voorkomen, en dat de stormschade in de toekomst  sterk zal toenemen.

Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie uit de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiële energie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is van het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging van het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.

Stormschade zal in de toekomst sterk toenemen

 Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal  hebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis an de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de oekomst vaker zullen voorkomen, en dat de tormschade in de toekomst terk zal toenemen.

Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot  zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie it de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiëleenergie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is an het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging an het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.

Er is een toename van het aantal orkanen, en deze worden krachtiger door temperatuurstijging   van het water

Het is nog zeer onzeker of de verandering van het klimaat ook een effect zal ebben op de frequentie en de zwaarte van de stormen boven ons land. Op basis  van de huidige modelberekeningen kan niet worden gesteld dat stormen in de toekomst vaker zullen voorkomen, en dat de stormschade in de toekomst   sterk zal toenemen.

Elders in de wereld lijkt de opwarming van de aarde wel tot zwaardere stormen te leiden. Tropische orkanen als Katrina halen hun energie  
uit de temperatuur van het zeewater. Een warmere zee betekent meer potentiële nergie voor orkanen. Het is echter nog niet aangetoond dat er een toename is  van het aantal orkanen, en dat deze krachtiger worden door temperatuurstijging an het water. Het is wel een plausibel scenario voor de toekomst.

Door klimaatverandering smelten de ijskappen

Door klimaatverandering smelten de ijskappen van Groenland en Antarctica.  Op Groenland ligt voldoende ijs om de zeespiegel wereldwijd gemiddeld met bijna zeven meter te doen stijgen. West-Antarctica zou daar nog eens zes meter aan toe kunnen voegen. Het ijs dat dan nog op Antarctica ligt, staat weliswaar gelijk aan tientallen meters zeespiegelstijging maar dat ijs zal niet smelten, tenzij het klimaat vele eeuwen na nu veel warmer wordt dan waar wetenschappers nu van uit gaan.

Gletsjers zullen niet lang meer blijven bestaan

Voor de zeespiegelstijging is vooral het gedrag van de landijsmassa’s van  Groenland en Antarctica van belang. De potentiële zeespiegelstijging van meerdere  meters in de komende eeuwen ligt daar opgeslagen. De dreiging van de smeltende gletsjers valt eigenlijk wel mee. Volgens schattingen kunnen de gletsjers en ijskappen die buiten Groenland en Antarctica liggen maximaal 15 tot 24 cm zeespiegelstijging opleveren. Dan is dit ijs op. Dit zou binnen een paar generaties al het geval kunnen zijn. Veel gletsjers zullen niet lang meer blijven bestaan.

De ontwikkeling van het toenemend smelten van gletsjers sluit aan bij de temperatuurstijging over de afgelopen 150 jaar

 De ontwikkeling van het toenemend smelten van gletsjers sluit aan bij de  
temperatuurstijging over de afgelopen 150 jaar. De betekenis van het smelten    
van de gletsjers is meer het verdwijnen van de gletsjers zelf dan het effect op de    
zeespiegelstijging.

Als het ijs op de noordpool smelt, stijgt de zeespiegel 0 meter

 Het smelten van het ijs van de Noordpool heeft geen effect op de zeespiegel:  dat is ijs op zee en als drijvend ijs smelt, blijft de waterstand gelijk. Bij landijs, zoals Antarctica en Groenland, echter komt door het smelten van de ijskap meer water in zee.

De zeespiegel stijgt al duizenden jaren 20 cm per eeuw door natuurlijke oorzaken

 In de afgelopen achttienduizend jaar, vanaf het moment dat het ijs van de laatste  ijstijd begon te smelten, is de zeespiegel met meer dan 120 meter gestegen. Tot  zevenduizend jaar geleden ging die stijging snel, met gemiddeld ongeveer een meter per eeuw, daarna werd de stijgsnelheid steeds minder. Ook in de afgelopen eeuw is de zeespiegel voor de Nederlandse kust gestegen, met ongeveer 20 cm, doordat de ijskappen nog steeds een beetje naijlen op het einde van de laatste ijstijd, door natuurlijke fluctuaties, en mogelijk ook al als reactie op stijgende  
temperaturen door klimaatverandering. 

Als gevolg van de klimaatverandering wordt een versnelling van de zeespiegelstijging  verwacht. Wereldwijd is die versnelling ook al gemeten maar in de metingen  voor de Nederlandse kust is die versnelling tot nu toe nog niet aangetoond.

De zeespiegel stijgt niet sneller dan voorheen

 In de afgelopen achttienduizend jaar, vanaf het moment dat het ijs van de laatste  ijstijd begon te smelten, is de zeespiegel met meer dan 120 meter gestegen. Tot  zevenduizend jaar geleden ging die stijging snel, met gemiddeld ongeveer een meter per eeuw, daarna werd de stijgsnelheid steeds minder. Ook in de afgelopen eeuw is de zeespiegel voor de Nederlandse kust gestegen, met ongeveer 20 cm,    
doordat de ijskappen nog steeds een beetje naijlen op het einde van de laatste ijstijd, door natuurlijke fluctuaties, en mogelijk ook al als reactie op stijgende  temperaturen door klimaatverandering.

Als gevolg van de klimaatverandering wordt een versnelling van de zeespiegelstijging  verwacht. Wereldwijd is die versnelling ook al gemeten maar in de metingen voor de Nederlandse kust is die versnelling tot nu toe nog niet aangetoond.

De zeespiegel zal meters stijgen

 Het KNMI gaat voor de komende honderd jaar uit van een zeespiegelstijging van  35 tot 85 cm, waarvan in 2050 waarschijnlijk al 15 tot 35 cm bereikt zal zijn. Volgens het KNMI is een zeespiegelstijging van 1 tot 2,5 meter in 2300 reëel en zou de zee in het jaar 3000 wel eens tot 6 meter hoger kunnen komen te staan. De spreiding in de getallen is groot door de vele onzekerheden in met name de klimaatmodellen, de emissies van broeikasgassen en het gedrag van de ijskappen.    
Maar dat de zeespiegel in de komende eeuwen meters kan gaan stijgen, is juist. Het uitzetten van het opgewarmde zeewater zal naar verwachting  voorlopig meer aan de zeespiegelstijging bijdragen dan het smelten van de gletsjers en de ijskappen.

Zeespiegelstijging wordt in de eerste plaats veroorzaakt door uitzetting van water in   oceanen, niet door het smelten van ijskappen

Het KNMI gaat voor de komende honderd jaar uit van een zeespiegelstijging van  35 tot 85 cm, waarvan in 2050 waarschijnlijk al 15 tot 35 cm bereikt zal zijn.   Volgens het KNMI is een zeespiegelstijging van 1 tot 2,5 meter in 2300 reëel en zou de zee in het jaar 3000 wel eens tot 6 meter hoger kunnen komen te staan. De spreiding in de getallen is groot door de vele onzekerheden in met name de  klimaatmodellen, de emissies van broeikasgassen en het gedrag van de ijskappen. Maar dat de zeespiegel in de komende eeuwen meters kan gaan stijgen, is juist. Het uitzetten van het opgewarmde zeewater zal naar verwachting  voorlopig meer aan de zeespiegelstijging bijdragen dan het smelten van de gletsjers en de ijskappen.

De zeespiegel zal blijven stijgen, ook als de CO2-uitstoot drastisch wordt verminderd

De Nederlandse regering heeft zich voorgenomen de uitstoot van CO2 in 2020 ten  opzichte van 1990 met 20% te reduceren. Een forse ambitie, maar zelfs al zouden  alle landen dit voorbeeld volgen, dan zou dit geen effect hebben op de zeespiegelstijging die in deze eeuw verwacht wordt. Het klimaatsysteem reageert immers traag op veranderingen in de concentratie broeikasgassen. De zeespiegel zal blijven stijgen, ook als de CO2- uitstoot drastisch wordt verminderd. Voor een aantal gebieden in de wereld komen de maatregelen dus te laat: Tuvalu is het  eerste eiland dat in zee verdwijnt.

Tuvalu is het eerste eiland dat in zee verdwijnt

De Nederlandse regering heeft zich voorgenomen de uitstoot van CO2 in 2020 ten  opzichte van 1990 met 20% te reduceren. Een forse ambitie, maar zelfs al zouden alle landen dit voorbeeld volgen, dan zou dit geen effect hebben op de zeespiegelstijging die in deze eeuw verwacht wordt. Het klimaatsysteem reageert immers traag op veranderingen in de concentratie broeikasgassen. De zeespiegel zal blijven stijgen, ook als de CO2- uitstoot drastisch wordt verminderd. Voor een aantal gebieden in de wereld komen de maatregelen dus te laat: Tuvalu is het  eerste eiland dat in zee verdwijnt.

We pompen onszelf naar beneden

 Sinds we zijn begonnen met het bouwen van dijken en het wegpompen van water  zijn de lage delen van Nederland 2 tot 3 meter lager komen te liggen. Door de ontwatering zijn de slappe klei- en veenlagen ingeklonken. Ook is het veen deels geoxideerd: door de verlaging van de grondwaterstand is het veen in contact gekomen met zuurstof en ‘verbrand’. Dat proces gaat nog steeds door: we pompen onszelf naar beneden. In deze eeuw staat tegenover een verwachte stijging van de zeespiegel met 35 tot 85 cm een verwachte bodemdaling van West-Nederland  van decimeters tot lokaal zelfs anderhalve meter.    
Voor de veenweidegebieden van Friesland wordt in deze eeuw, als het huidige  beleid van ontwateren wordt voortgezet, een daling verwacht van maximaal 120  cm. Daar daalt het maaiveld door klink en oxidatie van het veen jaarlijks met  0,25 tot 1,25 cm! In het noordoosten van Groningen zal de bodem dalen door de  gaswinning: waarschijnlijk een kleine 40 cm in 2050 ten opzichte van 2000.

De bodem daalt net zo snel als de zeespiegel stijgt 

Naar verwachting zal in delen van West- en Noord-Nederland tussen nu en 2100 de bodem net zo veel dalen als de zee zal stijgen. Zowel bodemdaling als zeespiegelstijging leiden tot een toename van de hoeveelheid kwelwater. Er moet  daardoor meer water worden weggepompt. Omdat een deel van het kwelwater  zout is, is meer zoetwater nodig om het zout weg te spoelen.